vrijdag 4 december 2015

Veel scholieren lezen voor hun plezier

Dit schooljaar valt het de Mediatheekmedewerkers aan de Weerdslag op dat er aan het begin van bepaalde lesuren steeds leerlingen leesboeken komen lenen. Er blijkt in de les ruimte te zijn ingeruimd om vrij te lezen, als onderdeel van het taalbeleid. Wij hebben hier direct op ingespeeld en dit is dan ook het eerste jaar dat in de Mediatheek een bescheiden collectie jeugdboeken en literatuur wordt aangeboden. Zo hebben - heel leuk - de leerlingen voor Engels zelf een collectie jeugdboeken samengesteld die gretig wordt gelezen en waar leerlingen echt bijna om vechten.
Wat is er aan de hand? Het is een - voor het personeel in de Mediatheek - opvallende verandering. Wij hadden nooit fictie in de collectie. En, toeval of niet, het valt ook samen met een landelijk veel grotere nadruk op leesplezier en leesmotivatie in het onderwijs.

"Voor mijn plezier lees ik heel veel, maar die boeken mogen nooit op de lijst omdat het young-adults zijn". "Lezen voor de lijst is dan ook niet iets wat ik graag doe. Wij moeten ook oude boeken lezen en die spreken mij en mijn klasgenoten helemaal niet aan." Deze citaten zijn afkomstig uit het onderzoek leesgedrag uitgevoerd door Scholieren.com. Ik begrijp natuurlijk de importantie van een literatuurlijst, maar heb zelf eigenlijk ook nooit begrepen waarom die lijst los staat van andere vakken. Hoe kun je Oeroeg van Hella Haasse (het was mijn eerste literaire roman) begrijpen als je niets weet over Nederlands-Indië en deze periode bij geschiedenis niet hebt gehad? En, waarom mag je eigenlijk niet zelf iets kiezen of samenstellen en dan op een gebied waar je interesse ligt?
Veel leerlingen uit het genoemde scholierenonderzoek onder 1103 respondenten, vinden de literatuurlijst niet op hun leeswensen aansluiten, en zij vinden dat het verplichte karakter voor sommigen juist het leesplezier bederft. Daarnaast vindt bijna de helft (48%) dat de literatuurlijst van zijn docent weinig recent werk bevat. Bijna dertig procent noemt de literatuurlijst van zijn docent Nederlands zelfs hopeloos ouderwets. Ook begrijpen leerlingen niet dat je geen vertaalde literatuur mag lezen voor Nederlands; het gaat er toch om dat je leest?

Ja, moet lezen eigenlijk? Of is het iets wat mag? Plezier in lezen is natuurlijk het beste startpunt voor leerlingen om veel boeken te verslinden en zo hun leesvaardigheid moeiteloos te verbeteren. De laatste jaren is er grote belangstelling in het onderwijs voor leesvaardigheid. Terecht, als je ziet hoe belangrijk dit is. In het verbeteren van deze vaardigheid lag de focus altijd overwegend op het werken aan woordenschat, leesstrategieën en vlot technisch lezen. Een aanpak die de laatste jaren meer en meer school maakt, is de ‘impliciete aanpak’. Deze gebruikt leesplezier en leesmotivatie als ingang om leeskilometers te maken en daarmee de leesvaardigheid en leerprestaties te bevorderen. Het zogenoemde ‘interesse verbredend lezen’ staat hierin voorop. R.J. Marzano, J.L. Pilgreen en A. Chambers zijn daarbij belangrijke namen. Volgens hen bestaat er tussen lezen en achtergrondkennis een sterk verband. Kennis van de wereld, diepe kennis over woorden en concepten geven context aan dat wat leerlingen lezen. Leerlingen die over weinig achtergrondkennis en een kleine woordenschat beschikken, zijn minder goed in staat om over een tekst na te denken en deze te begrijpen. Precies wat ik boven al aangaf met mijn eigen ervaringen met het boek Oeroeg. Volgens Marzano kan achtergrondkennis vergroot worden door meerdere teksten en boeken over hetzelfde onderwerp te lezen. Het gaat dan om de volgende stappen van ‘interesse verbredend lezen’:
Stap 1. Leerlingen verwoorden hun interesses.
Stap 2. Leerlingen kiezen leesmateriaal dat aansluit bij hun interesses.
Stap 3. Leerlingen hebben tijd om ongestoord te kunnen lezen.
Stap 4. Leerlingen leggen hun reactie op het leeswerk vast.
Stap 5. Leerlingen gaan interactief aan de slag met de informatie.
(Bron: Leraar24

Een soortgelijke tendens zien we ook bij het beleid van het ministerie van OCW. Voorheen lag erg de focus op hoe kinderen lezen. Nu is onder andere door het meerjarenproject ‘De kunst van het lezen’ de focus verschoven naar wát kinderen lezen. Dit project eindigt dit jaar, maar Kunst van Lezen is in 2016-2018 onderdeel van Actieprogramma Tel mee met taal. De aanpak Vrij lezen sluit naadloos aan op deze tendens. Bij Vrij lezen staat leesplezier centraal. Scholen die deze aanpak hebben ingevoerd, zien de leesmotivatie van hun leerlingen opvallend toenemen. Vrij lezen heeft tot doel heeft om kinderen veel leeskilometers te laten maken. Het is feitelijk een aantal keer per week ongestoord lezen wat je interesseert. De aanpak gaat uit van drie keer in de week 20 minuten. Leesmateriaal dat past bij je interesses en dat je zelf hebt gekozen. Over datgene dat je gelezen hebt, schrijf je iets of wissel je uit met andere leerlingen (stap 4 en 5 in bovengenoemd stappenplan).



In de uitgave Leeskilometers maken op school wordt stap voor stap beschreven hoe je Vrij lezen op school kunt invoeren, inclusief inspirerende ervaringsverhalen van andere scholen. In essentie komt hij er op neer dat men de leerlingen weer plezier in het lezen wil laten krijgen door eerst de interesses van de leerlingen te achterhalen, hen te helpen om bij die interesses geschikt leesvoer te vinden, hen hetgeen ze lazen actief te laten verwerken en een vast leesritme in te voeren. De leerling mag vrij kiezen wat hij leest.

Het taalbeleid op onze school is in ontwikkeling. In een aantal ochtendperiodes wordt nu 20 minuten vrij gemaakt om te lezen. De leerlingen nemen in principe daarvoor altijd een eigen leesboek mee. Dit jaar vindt 10 minuten lezen voor de les eveneens plaats in de achtste klassen bij onder meer Nederlands.Verwerking en reflectie vinden echter niet direct plaats in de lessen (stap 4 en 5) en ook wordt er niet expliciet gerefereerd aan interesses.

Maar goed, uitgaande van Vrij Lezen. Waar vind ik dan eigenlijk informatie over thema’s in (jeugd)literatuur, zodat ik daar de leerlingen mee kan helpen? Boekenopschool heeft boeken gegroepeerd rondom thema’s als dood, pesten en oorlog. Op Boek en jeugd Gids kun je zelf op trefwoord leesboeken zoeken. Er zijn twee versies van de Boekenzoeker. Van 8 tot 12, van 12 tot 15 en 16+. Op het startscherm van de versie van 12 tot 15 maak je een keuze uit twee onderdelen. Klik op Ik weet wat ik lees als je op zoek bent naar een bepaald soort boeken, of bepaalde onderwerpen. Historische boeken, gedichten, boeken over liefde etc. Klik op Geef me wat ik ben als je een boek wilt dat past bij wie je bent en wat je interesses zijn. Hier vind je boeken voor jongens, boeken voor meisjes, boeken voor filmfreaks en voor sportievelingen. Ook bij Leesadviezen kun je op thema kiezen en bij Lezenvoordelijst kun je op niveau en genre kiezen. Ook op de site van Young Adults kun je (beperkt) op genre zoeken. Vrij Lezen heeft leerlingen- en lerarenbladen om leerlingen in het proces te sturen.
Mijn Kind Online presenteert op de eigen site een vijftal boeken “om over te praten”. Het onderwerp hier is mediawijsheid in al zijn facetten. En - uitgaande van de Vrij Lezen aanpak - dan komen we inderdaad op reflectie, hoe verwerken we het. Gaan we er in de klas over praten, gaan we digitaal en maken we een blog, misschien een filmpje?

Over boeken gesproken is een uitgave van de Stichting lezen. De publicatie gaat over de waarde van het gesprek over boeken en lezen. YoungWorks voerde onlangs een online onderzoek uit onder 853 middelbare scholieren, om te achterhalen hoe zij denken over het vak Nederlands. Dat deden ze in opdracht van Uitgeverij Blink Educatie onder 853 leerlingen (12-16 jaar) afkomstig van het vmbo, havo en vwo. De helft van de ondervraagde jongeren vindt Nederlands een belangrijk vak. Maar tegelijk vindt de helft (48%) de Nederlandse les saai. Driekwart van de leerlingen zou graag zien dat de lessen digitaler worden (76%) (blog, filmpje) en meer aansluiten bij de wereld van nu (73%). Je zou dus eens kunnen overwegen om de leerlingen een blog te laten maken over boeken die ze lezen. (Zie: Weblogs in het literatuuronderwijs)

Er zijn ook veel sites die op een aantrekkelijke wijze interesse voor literatuur proberen te wekken: Leesmij heeft een boekenkast die je naar extra informatie rond literatuur leidt. Op Facebook hebben we nog de Leesfabriek. De Leesfabrieksite wordt gerund door een aantal bevlogen redacteuren tussen de 15 en 25 jaar met een gedeelde passie voor lezen. Interviews, boekrecensies, nieuws en actualiteiten, de Leesfabriek levert op allerlei manieren. De Leesfabriekheeft via social media een groot digitaal netwerk voor jonge (15-25) boekenlezers uitgezet. Naast een Facebookpagina is De Leesfabriek ook actief op Twitter en heeft een eigen YouTube-kanaal. Je hebt ook nog Boekenbabbels en Boekenbaas.


Op Leerkr8 vind je lesmateriaal en natuurlijk zou je ook blogs van vakgenoten kunnen raadplegen. Bijvoorbeeld het blog van Mevrouw Willemse. Ook kwam ik De Jonge Bibliofiel tegen, een boekenblog van een student lerarenopleiding voor docenten Nederlands die op zoek zijn naar inspiratie voor het invullen van het literatuuronderwijs.
Voor alle scholen voor voortgezet onderwijs die structureel aan leesbevordering willen werken kun je op deze site leren werken met een leesplan. Het plan geeft houvast bij de inrichting van leesbevordering binnen de school. In een leesplan legt een school vast wat de stand van zaken is en op welke wijze er in het komend schooljaar aan leesbevordering wordt gewerkt.

Het is trouwens wetenschappelijk bewezen: Vrij lezen is zinvol!
1. Lezen in de vrije tijd verhoogt de leesvaardigheid en het leesplezier. Een meta-analyse van 99 internationale leesvaardigheidstudies levert bewijs voor een positieve spiraal: vaardige lezers beleven meer plezier aan het lezen van boeken, waardoor ze vaker lezen in hun vrije tijd. Dat zorgt er weer voor dat hun woordenschat en tekstbegrip toenemen. Vervolgens maakt deze stijgende leesvaardigheid dat ze vaker gaan lezen. Het effect van lezen in de vrije tijd groeit met elk leer- en levensjaar.
2. Basisscholieren in groep 8 die regelmatig een boek lezen in hun vrije tijd, behalen hogere scores op het Cito-toetsonderdeel taal. Dit heeft tot gevolg dat ze ook betere Cito-resultaten boeken op de onderdelen wiskunde, studievaardigheden en wereldoriëntatie. Het positieve effect van lezen in de vrije tijd treedt altijd op, maar is het grootst bij boeken met een hoog niveau (gemeten als de leeftijdsindicatie op boeken). Het gebruik van andere media, zoals internetten, televisie kijken en gamen, vertoont juist een negatief verband met de Cito-scores.
3. Structureel invoeren van Vrij lezen is het effectiefst Het gunstige effect van vrij lezen wordt sterker naarmate het gedurende een langere periode gebeurt: programma's die meer dan een jaar lopen, zorgen vrijwel zonder uitzondering voor hogere scores op tekstbegrip. Vrij lezen is ook effectief voor andere onderdelen van de leesvaardigheid, zoals de ontwikkeling van de woordenschat, grammatica en schrijven. (Bron: BibliothekenDrenthe)

Zie ook: CPS, Handboek Literatuuronderwijs, 4 Tips en Lezen voor je date

woensdag 25 november 2015

Download WIJS #2

Het is weer de Week van de Mediawijsheid. De Week van de Mediawijsheid wordt dit jaar van 20 tot en met 27 november georganiseerd door Mediawijzer.net, een netwerk van honderden organisaties. Veel scholen en openbare bibliotheken steunen het initiatief, net als meerdere internetaanbieders en andere bedrijven. Op veel basisscholen wordt deze week Mediamasters gespeeld, een vast onderdeel van de Week van de Mediawijsheid. 
Dit jaar is het thema van de week ‘Media & Respect’. Jongeren maken massaal media. Iedereen filmt, deelt, liked en vlogt. Maar: hoe gedragen ze zich als mediamaker? Hoe gaan zij om met de privacy van anderen als ze online iets delen? Worden feiten gecheckt? En hoe kijken ze aan tegen de toenemende samenwerking tussen vloggers en bedrijven? 
Ook al doen wij als school niet mee, je kunt hier in elk geval het blad WIJS #2 downloaden. WIJS #2 richt zich op ouders en opvoeders van kinderen tussen de 5 en 17 jaar en geeft deskundig advies op het gebied van mediaopvoeding. Dit magazine bevat tips en advies van media-experts over de kansen en valkuilen van digitale media en biedt tevens een inkijkje in het (digitale) leven van gezinnen.

maandag 9 november 2015

Hoe jongeren (sociale) media gebruiken

“Russische tiener dood na ruim 3 weken gamen.” Het betreft hier een 17-jarige jongen uit Oefa (Rusland) die in het ziekenhuis werd opgenomen nadat hij door continu te gamen buiten westen was geraakt. Hij bleek niet meer te redden. Het is een schokkend bericht uit september 2015. Gelukkig is dit een uitzondering, maar juist gamen en ook sociale media zijn wel vaak de grote  boosdoeners in de ogen van sceptici van de digitale revolutie. En dat moeten we - zo vinden ook nog steeds velen binnen het onderwijs - natuurlijk zo ver mogelijk buiten de (school)deur houden.

Paul Kirschner, hoogleraar Onderwijspsychologie aan de Open Universiteit, schreef een blog over de jongeren, hun verleidingen en het onderwijs. Kan deze generatie überhaupt wel excelleren in het huidige onderwijs? Aan de ene kant heb je mensen (Marc Prensky) die vinden dat de huidige jongeren (digital natives) betekenisvolle kennis kunnen construeren uit discontinu audiovisuele en tekstuele informatiestromen. Deze mening doet mij ook altijd een beetje denken aan wat je hoort over jonge docenten. Die weten het wel, die zijn er mee opgegroeid. Maar ergens mee opgroeien betekent niet dat je er ook goed in bent. Digitale didactiek is een vak. Kirschner vervolgt met de opponent van Prensky, Manfred Spitzer. Spitzer is bij ons op school een bekende en vaak geciteerde auteur. Kirschner citeert echter de volgens hem de veel beter onderbouwde, maar qua strekking aan Spitzer gelijke, Loh en Kanai: “Digital natives neigen naar ondiepe informatieverwerking gekenmerkt door snelle aandachtswisselingen en verminderd nadenken. Zij multitasken veel met als gevolg dat ze meer afgeleid zijn en kunnen dit niet tegenhouden. Digital natives vertonen ook tekenen van verslavingsgedrag. Recent breinscanonderzoek suggereert een verband tussen deze gedragingen en structurele veranderingen in het brein.”


Dat is niet niks. En wat betekent dit nu voor het onderwijs? Kirschner ziet een drietal grote probleemvelden:
Jongeren verschuiven voortdurend hun aandacht, lezen de tekst oppervlakkig, denken minder diep na over wat zij lezen en onthouden de informatie slecht;
Een tweede probleem is dat het cognitief verwerken van zulke 'niet-lineaire' teksten veel onproductieve cognitieve belasting veroorzaakt, waardoor je slechter leert. Spottend kun je volgens Kirschner spreken van 'een nieuw soort ADHD'. Dat past ook bij het welhaast dwangmatig snel afgeleid zijn;
Als laatste ligt internetverslaving op de loer, zoals boven in extrema al duidelijk werd.

Bron: Nationale Social Media Onderzoek 2015 | jongeren (Newcom)

Jongeren kunnen zich dus helemaal “verliezen” in hun tablet of mobiel. Maar wij moeten niet vergeten dat WhatsApp, Instagram en Facebook voor jongeren op alle onderwijsniveaus ook van fundamenteel belang zijn geworden. Het zijn echte levensaders voor ze, of ....?
We laten ze beter zelf aan het woord. Hoe zetten jongeren media, vooral digitale media als tablets, smartphones en laptops, nu in voor school en hobby’s. Met die vraag in het achterhoofd, deden Mijn Kind Online en Kennisnet in het voorjaar van 2015 een kwalitatief onderzoek onder 1.741 kinderen en jongeren tussen 10 en 18 jaar. Dit leidde tot de eerste Monitor Jeugd en Media 2015. In het onderzoek bezochten ze 10 jongeren thuis, om te praten over hun mediagedrag. Het rapport brengt in beeld hoe jongeren digitale middelen inzetten voor school en vrije tijd. Hebben ze baat bij deze media of juist niet?
Jongeren hebben genuanceerde meningen over de rol van sociale media in het gewone leven. Veel genuanceerder dan je zou denken. De grote lijn: sociale media zijn belangrijk, maar ook weer niet zó belangrijk. Wat opvalt is dat het onderzoek heel wat mythes ontkracht. Bijvoorbeeld: dat jongeren het normaal zouden vinden dat je ruzies via sociale media uitvecht. Dat vinden ze niet of nauwelijks. Of: dat sociale media onmisbaar zouden zijn voor een sociaal leven (zoals uitgenodigd worden voor feestjes, of om medeleerlingen beter te leren kennen). Ook dat blijkt nauwelijks het geval. Een groot deel van de jongeren vindt het ook (helemaal) niet nodig om constant en overal via sociale media in contact te zijn, dat wil zeggen direct te reageren op anderen, of dat ze niet zouden kunnen leven als de batterij van hun smartphone, tablet of laptop leeg is. Bijna 40% tot ruim 60% van de jongeren deelt deze scepsis over het (vermeende) belang van sociale media.

Er zijn wel verschillen: de gedragsregels voor sociale media (snel reageren, meteen liken of retweeten, etc.) gelden aanzienlijk sterker voor leerlingen van lagere onderwijsniveaus dan voor leerlingen van hogere onderwijsniveaus
Jongeren van lagere onderwijsniveaus vinden in het algemeen vaker:
dat je elkaar via sociale media goed leert kennen;
dat je goed contact met anderen kunt leggen;
dat je feestjes via sociale media in de gaten moet houden;
dat je meteen moet liken of retweeten als je vrienden dat doen;
dat je ruzies ook via sociale media kunt uitvechten.

“Jongeren van het vmbo profiteren in het algemeen ook minder van digitale media en gaan er onhandiger mee om dan jongeren van havo en vwo”.  Lager opgeleide jongeren zijn vooral geïnteresseerd in ontspanning en vermaak, zoals spelletjes spellen. Jongeren op lagere onderwijsniveaus gebruiken de digitale media niet alleen minder voor hun schoolwerk, ze nemen er ook meer risico's mee. Zo hebben ze minder moeite met mediagebruik in het verkeer, het volume van oortjes of hun lichaamshouding tijdens langdurig computergebruik.

Uit het onderzoek blijkt verder dat bij huiswerk:
52% van de ondervraagden de televisie niet aan zet;
41% whatsapp berichtjes storend vind;
36% bereikbaar blijft via sociale media, zodat we samen aan het huiswerk kunnen werken;
33% zijn telefoon op stil zet;
15% vrienden laat weten dat ze me niet moeten storen via de sociale media (Monitor, p. 68).
Diegenen die zich niet alleen focussen op het huiswerk hebben volgens neuropsychiater Theo Compernolle nog niet goed geleerd hoe om te gaan met het grote aanbod aan afleiding: "Veel mensen denken dat ze kunnen multitasken, maar dat is een illusie. Ons brein is daar simpelweg niet toe in staat. Niemand kan twee denkprocessen tegelijk uitvoeren" Het gevolg is dat we voortdurend heen en weer switchen tussen verschillende taken. "We verliezen tijd en informatie bij dit switchen en het kost ons veel meer energie. Het is dus compleet inefficiënt", zegt Compernolle.

En  uit de Monitor blijkt dat in de les:
46% wel eens privé-berichtjes stuurt tijdens de les;
28% Facebook of Instagram checkt;
10% wel eens stiekem een filmpje of een foto in de klas maakt.
Meisjes doen de bovengenoemde dingen aanzienlijk vaker dan jongens (p.74).

Algemene blijkt met betrekking tot school en huiswerk:
53% zegt regelmatig via sociale media (WhatsApp, Twitter of Facebook) aan klasgenoten te vragen wat het huiswerk is;
25% gebruikt sociale media om taken te kunnen verdelen bij het samenwerken, of om scans van aantekeningen aan elkaar door te sturen
en 13% verstuurt zelf geschreven samenvattingen of foto’s van het eigen huiswerk aan klasgenoten, of vraagt de klasgenoten om hun al gemaakte huiswerk op te sturen.

In The Digital Turn beschrijft Wim Westera, hoogleraar Digitale Media van het Welten-instituut, de invloed van de digitale revolutie op de manier waarop wij ons leven inrichten. The Digital Turn analyseert hoe de technologieën van Twitter, Apple, Facebook, Google en anderen ons gedrag veranderen, en onze sociale interacties, de economie, en ons denken beïnvloeden. Daar kunnen vervelende kanten aan zitten, maar hoe kunnen we dit proces positief beïnvloeden?
Ik citeer uit The Digital Turn: “We have to accept that digital media irreversibly change our habitat. They create new extensions of reality, along with new representations, altered identities, and new forms of being. How should we deal with this? The only option is to become media literate. We should involve our unique cognitive abilities to remain in control of it, just as we successfully defeated our predators and survived natural disasters and other adversities. Media literacy should be introduced as a mandatory subject in schools. It is peculiar that we are systematically taught to read and write but not how to derive meaning from the readings and writings that we encounter in the most complex and impenetrable fabric of digital media.” (Digital Turn, p. 141,142)

Mediageletterdheid of mediawijsheid dus. Maar hoe? Misschien is het Nationaal Media Paspoort dat nu op de basisscholen kan worden gebruikt een goede eerste aanzet om te komen tot een doorgaande leerlijn Mediawijsheid.  Er waren al eerder initiatieven om tot meer eenheid te komen zoals bijvoorbeeld het Diploma Veilig Internet. Maar eigenlijk zou mediageletterdheid in elk vak, overal integraal aan bod moeten komen. Voorwaarde is wel dat de docenten zelf mediawijs zijn.

vrijdag 16 oktober 2015

Het onderwijs wordt één grote game

Nadat ze vroeg in de ochtend de barre tocht naar school hadden gemaakt, kwamen onlangs enkele leerlingen tot de ontstellende wetenschap dat er geen ochtendperiode was. Een gapend gat doemde op in hun ochtendritme. Zij meldden zich in de Mediatheek, wisten niet direct wat te doen, en daarom liet ik ze een uurtje coderen. In dat code-uur moeten ze door logisch nadenken in zo min mogelijk stappen (programmeercode) een poppetje door een doolhof loodsen. Ik geef dergelijke programmeeropdrachten wel vaker aan leerlingen, die even in een gat vallen, en merk eigenlijk altijd dat ze enthousiast bezig gaan. Ik hoefde ze ook niet specifiek te motiveren, de geboden spelvorm werkt blijkbaar al motiverend genoeg. 
Wat mij verder opvalt is dat de dwingende vorm van zo’n interactieve digitale opdracht altijd goed uitpakt. Uitleg, hulpbronnen, suggesties, volgorde, opbouw, alles kan zonder tussenkomst van een docent zelfstandig worden gevolgd en opgelost. Dit is tussen haakjes ook waarom ik een groot fan ben van de webquest, Met de webquest geef je structuur aan je digitale opdracht en kan de leerling door op de onderdelen van de opdracht (tabbladen) te klikken eigenlijk altijd direct duidelijkheid en uitleg krijgen. De leerling krijgt daarmee een zekere autonomie over het leerproces en dat is volgens mij heel belangrijk in het leerproces. De vorm van de opdracht werkt ook altijd door in de sfeer in de Mediatheek, de leerlingen zijn echt aan het werk!
Er viel mij echter nog iets op bij de leerlingen die in dat vroege uurtje de basis van het programmeren probeerden te ontdekken. Zij losten samen de problemen op die ze tegenkwamen tijdens het code-uur en hoewel het er soms in de discussie hard aan toe ging, redden ze het op die manier allemaal. Weliswaar hadden ze uiteindelijk meer coderegels nodig dan wenselijk was, maar ze hadden binnen het uur alle 20 cases met een grote verbetenheid behandeld.

Voorwaarde voor het slagen zo’n opdracht is natuurlijk wel dat de spelvorm op een bepaalde manier in elkaar steekt. Menno Deen van de TU Eindhoven onderzocht hoe games leerlingen kunnen motiveren om te leren. Hij ontdekte dat niet alle spelletjes geschikt zijn. Basis van zijn onderzoek is de zogenaamde zelf determinatie theorie. Die zegt dat je dingen vanuit jezelf onderneemt wanneer je je competent, verwant en autonoom voelt. “Voor intrinsieke motivatie is een aantal elementen belangrijk. Bijvoorbeeld competentie: het gevoel dat je iets kan. Maar ook een bepaalde relatie met anderen; je werkt samen of voelt juist competitie. Die beide factoren zijn al duidelijk aanwezig in het onderwijs: er ligt een grote nadruk op competenties en in de klas kunnen leerlingen elkaar motiveren. Maar het derde element ontbreekt vaak: autonomie, het gevoel dat je een eigen inbreng hebt. Games zijn daar juist heel sterk in, dus ik dacht: dat is misschien interessant om naar te kijken: wat betekent autonomie, wat betekent dat in games en wat voor impact heeft dat op motivatie?”, aldus Deen. (Bron: Fastmovingtargets) Deens conclusie is dat games een waardevol leerinstrument kunnen zijn mits ze aansluiten bij de verwachtingen van de leerlingen over het leerproces. Het motiverende element aan games - het zelfstandig keuzes kunnen maken - past prima binnen de ontwikkelingen van nieuwe leersystemen in het onderwijs." (Bron: Kennisnet)

We hebben het steeds over opdrachtvormen waar spelelementen in zitten, gaming of gamification. Je moet iets op een bepaalde wijze oplossen, binnen zo veel stappen. Uiteindelijk krijg je een score en in het geval van het code-uur een certificaat. Allemaal elementen die motiverend werken. Dat is ook waarom de Kahn-academy gebruik maakt van badges en daarmee eigenlijk een spelelement toevoegt. In de MOOC Gamification van Cubiss wordt gesteld: “Het zorgt allemaal voor Game Thinking, een van de belangrijkste principes van gamification. Het gebruik van spelvaardigheden en het ervaren van een spelomgeving. Game thinking ofwel ‘game-denken’ is de kracht onderkennen van elementen zoals competitie, samenwerking, exploratie, levels en een boeiend verhaal en deze integreren in je onderwijsleersituatie.”


Dat is voor Deen echter niet in alle gevallen genoeg. Hij zegt daarover: “Soms worden er ook onderdelen van games gebruikt bij het leren - zogeheten gamification - zoals badges of puntensystemen. Het motiveert leerlingen wellicht om punten te behalen, een beloning van buitenaf die op korte termijn werkt, maar het motiveert ze niet intrinsiek om te gaan leren”.  (Bron: Kennisnet) Intrinsieke motivatie komt vanuit de persoon zelf, vanuit de intrinsieke waarde die gehecht wordt aan het uitvoeren van de activiteit of voor het behalen van een doel in de toekomst.

Een game is een interactief digitaal spel. De speler beïnvloedt het verloop van het spel, door wat hij doet en door hoe goed hij speelt. De game reageert adaptief. De speler of spelers werken aan een doel dat vooraf vaststaat. (Bron: Leraar 24) De naamgeving is m.i. nog steeds wat onduidelijk en termen worden vaak door elkaar heen gebruikt. Volgens mij bestaat er lesmateriaal met spelelementen (badges, levels), er zijn educatieve games (bv. code-uur) en serious games (bv. Enercities). Bij serious games kunnen leerlingen oefenen in virtuele omgevingen die in het echt niet voorhanden zijn. Zo leren zij uiteenlopende situaties in te schatten en op basis daarvan te handelen. Communicatie, samenwerkend oplossen tussen de leerlingen is daarbij heel belangrijk. Het gaat niet alleen om het behalen van het doel van het spel maar ook om het vergroten van je kennis, het leren op zich. (Voor een overzicht van soorten serious games zie: O&O, nr. 5, 2012.) Lonneke Brands (1992) studeert psychologie aan de Universiteit Twente. In haar bachelorthese heeft zij onderzocht of - in dit geval - basisschool leerlingen meer leren van een serious game in tweetallen dan individueel. Communicatie maakt kennis expliciet - dat is een ontdekking waar de makers van serious games hun voordeel mee kunnen doen, aldus Brands in Didactief. Vaak speel je een serious game intuïtief en daar is niks mis mee, maar de opgedane kennis uitleggen aan een ander resulteert pas echt in een verankering in het langetermijngeheugen. (Bron: Didactief, Oktober 2015) Dat is dus precies wat ik zag gebeuren in het bovengenoemde code-uur.

Ook TNO heeft onderzoek gedaan. Serious gaming waarbij gebruik gemaakt wordt van simulatie kan abstracte leerstof beter visualiseren en praktisch toepasbaar maken. Het spelkarakter waarbij doorgaans gewerkt wordt met een scoresysteem motiveert leerlingen om steeds beter te worden. Leerlingen vinden spelenderwijs leren met behulp van serious gaming over het algemeen leuk. Dit past in hun huidige belevingswereld, ook thuis. TNO deed onderzoek naar de effectiviteit van vijf verschillende serious games op vijf scholen. Het onderzoek heeft een aantal interessante algemene inzichten opgeleverd die veel theorie over de meerwaarde van serious games voor het leerproces bevestigen, namelijk dat typerende kenmerken van een game, waaronder flow of engagement, het spelelement, de manier van scoring en feedback, en de mogelijkheden voor samenwerking zorgen voor een hogere self-efficacy, een meer zelfsturende houding, een hogere motivatie en actiever leren dan een traditionele, klassikale les. Bekijk hierover ook eens het artikel ‘Six Powerful Motivations Driving Social Learning By Teens‘ van David Price over hoe Gamification op de behoefte van jongeren kan inspelen.

Hoe kunnen docenten gefaciliteerd worden om effectieve gamelessen te geven in het voortgezet onderwijs? Aan de hand van deze vraag gingen onderzoekers van de Hogeschool Utrecht, in samenwerking met Unic in Utrecht, op onderzoek uit. Als onderzoeksmiddel is een digitale vragenlijst gebruikt en zijn vervolgens aanvullende interviews afgenomen. Daaruit blijkt dat bijna 90 procent van de respondenten (docenten van Unic) positief is over het gebruik van games in de les. Het meest genoemde argument om games te gebruiken is om ongemotiveerde leerlingen aan het leren te krijgen. Ondanks het enthousiasme hebben de meeste respondenten (63%) nog nooit games gebruikt in de les. Ongeveer een derde zet er zo nu en dan een in; meestal voor inzicht in en toepassingen van de lesstof. Maar ook oefenen en het aanleren van vaardigheden en kennis scoren hoog als doel bij de inzet van games. Plezier, motivatie en spelling en grammatica worden ook als doel genoemd. Bijna de helft van de docenten wil graag games gaan gebruiken en iets minder dan de helft zou dat misschien wel willen.
Het merendeel van de geïnterviewde docenten heeft behoefte aan ondersteuning bij de implementatie van games in de les. Zo heeft:

69% behoefte aan ondersteuning bij het maken van lesmateriaal;

zou 66% ondersteund willen worden bij de didactische inzet van games;

57% bij de keuze van de juiste games (een overzicht, koppeling aan leerdoel of informatie over leeropbrengsten);

40% bij het maken van educatieve games;

en 29% bij de uitvoering van de gamelessen.

Een klein deel van de respondenten geeft aan behoefte te hebben aan een databank van bruikbare games, meer tijd om zich er in te verdiepen en kant-en-klare games. (Bron: Onderwijsvanmorgen) Gelukkig is hiervoor al een overzicht van Heleen Groenendijk beschikbaar en bestaat er de Databank Games.

Missionstart houdt volgend jaar een conferentie voor docenten en ontwikkelaars

vrijdag 2 oktober 2015

Stuur je gedicht weer in

Is moderne poëzie te moeilijk? Ja, zegt filosoof Theo de Boer. "Een gymnasiast leest makkelijker een Romeinse dichter als Vergilius (70-19 v. C)  dan een moderne dichter uit de 20ste eeuw als Lucebert. Ik heb me vaak afgevraagd wat daar de reden van is. Gaat het over andere onderwerpen dan vroeger? Zijn de poëtische technieken gecompliceerder geworden? Zijn stijlmiddelen als metafoorgebruik, rijm, enjambement een andere rol gaan spelen? Waarschijnlijk wel." (Bron: Trouw)
In De doorgaande leeslijn 0-18 van Stichting Lezen wordt over lezen van (jeugd)literatuur gezegd dat het toegang geeft tot nieuwe werelden en het onder andere mogelijk maakt kennis te nemen van bepaalde reflecties op leven en menszijn. Dat geldt zeker ook voor poëzie, niet alleen voor proza. In Trouw (30-12-2006) beweert De Boer zelfs “De huidige samenleving en ook de filosofie streven naar eenduidigheid, maar de poëzie cultiveert de ambiguïteit. Poëzie houdt zich bezig met wat door de mazen van de werkelijkheid kruipt. Dat kan in de wetenschap van nut zijn, maar ook zeker bij het bestuur en beheer van een land.” (dit citaat is afkomstig uit : Een leerlijn poëzie schrijven en lezen voor het voortgezet onderwijs)
Hoe kun je dan toch interesse voor poëzie opwekken bij leerlingen? Neem teksten die aansluiten bij het ontwikkelingsniveau en literair leesniveau van de leerlingen en ga dat net een beetje oprekken. De leerlijn poëzie begint dan ook met gedichten dichtbij de belevingswereld van de leerlingen en gaat van daaruit verder. "Uit onderzoek blijkt dat creatief schrijven (hier van gedichten) leesplezier en inzicht in literaire teksten (gedichten onder andere) kan vergroten. En omgekeerd: schrijftalent kan verder ontwikkeld worden wanneer lezen aandacht krijgt. De combinatie van (gedichten) lezen en schrijven kan de betrokkenheid van de leerlingen vergroten. Zelf iets doen, experimenteren en goede voorbeelden bekijken, hebben naast het analyseren/overdenken een belangrijke plek in het leren."(Leerlijn poëzie, p.10)

Het Poëziepaleis is hét landelijke aanspreekpunt voor iedereen die meer wil weten over poëzie voor en door kinderen en jongeren. Het organiseert onder andere de wedstrijden Kinderen en Poëzie voor basisscholen en Doe Maar Dicht Maar voor het voortgezet onderwijs. Je kunt trouwens vanaf nu weer gedichten insturen voor Doe Maar Dicht Maar 2016! De deadline is 5 februari 2016. Doe Maar Dicht Maar is de landelijke dichtwedstrijd voor schoolgaande jongeren tussen de 12 en 18 jaar. Wijs je leerlingen daar eens op, alle jongeren mogen meedoen. leerlingen hoeven dus niet persé een briljante schrijver te zijn of ervaring met dichten te hebben. Ook hoeven ze niet een 'klassiek' gedicht te schrijven, maar je mag bijvoorbeeld ook een rap of een songtekst maken. Kortom, wees creatief en laat de fantasie van je leerlingen de vrije loop! (zie ook : Twitter in de klas?
Sinds januari 2013 is Gedichtendag de start van de Poëzieweek. Onder het motto Jaren die druppelend versmelten staat de Poëzieweek in 2016 in het thema van herinneringen. De Stichting lezen Vlaanderen en Stichting Lezen Nederland en de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek ontwikkelden lesmateriaal voor de Gedichtendag. Meer lesmateriaal vind je hier.
Het lijkt trouwens wel of poëzie en wedstrijden onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Raadgedicht is een gedicht waarin één woord ontbreekt. Dit woord is afgedekt en alleen de dichter kent het woord. Maar misschien kun jij het raden? De gedichten zijn geschikt voor mensen van 10 tot 110 jaar. Volwassen en kinderen kunnen zelfstandig meedoen en scholen kunnen met een klas meedoen. Er zullen in 2015 tien gedichten van bekende Nederlandse kinderboekenschrijvers verschijnen Elke maandag verschijnt er een nieuw gedicht. Elke vrijdag kun je de oplossing lezen.
De Leerlijn poëzie is belangrijk als je niet alleen af en toe wel wat wil doen aan poëzie maar op zoek bent naar een structuur. “De poëzieleerlijn die we hier presenteren wil juist bereiken dat poëzie voor alle niveaus in het voortgezet onderwijs toegankelijk wordt en dat er een (talent)ontwikkeling plaatsvindt”, aldus de makers. “Poëzieonderwijs (meestal als onderdeel van literatuuronderwijs bij Nederlands) heeft zich vaak beperkt tot (vormtechnische) analyse van gedichten over onderwerpen 'voor volwassenen'. Dat heeft de liefde voor de poëzie bij de meesten niet doen opbloeien.”
Misschien kan PoëziePromotieMachien hier een helpende hand bieden. Dit is een website waar een leerling in een aantal stappen bij een gedicht uitkomt dat hem of haar aanspreekt. Nog altijd heel interessant vind ik Poëzie op Kennisnet, waar een keuze gemaakt kan worden tussen een leuk, uitdagend en ingewikkeld gedicht. In de playlist van il Luster op YouTube vind je animaties gebaseerd op gedichten.

Je kunt nog meer materiaal vinden op YouTube: voor gevorderden is er Dichter draagt voor. De Dode Dichters Almanak laat reeds overleden dichters op video voorlezen uit eigen werk. De video’s zijn te zien op Teleblik, een selectie op NPO Geschiedenis. De Dode dichters almanak was een nachtelijk televisieprogramma over poëzie dat werd gemaakt door de VPRO. Het programma bestaat uit een voorgedragen gedicht van een dode dichter uit binnen- of buitenland, opgedoken uit het archief. Het eerder genoemde Poëzie op Kennisnet zou het programma scharen onder Ingewikkeld.
De Nederlandse Poëzie Encyclopedie is een onmisbaar naslagwerk voor de Nederlandstalige poëzie. Je vind hier uitgebreide bio- en bibliografische informatie over dichters van 1900 tot nu.

Zie ook: Poëzie

vrijdag 18 september 2015

Computer verbetert schoolprestaties niet

Wat kun je toch blij zijn met nieuws dat je goed uitkomt. “Slechtere schoolprestaties door meer computergebruik” kopt de NOS. ”Computer verbetert schoolprestaties niet” klinkt dan al weer minder heftig, maar ook deze constatering leidt nog steeds tot een brede glimlach bij veel docenten. Het een op een contact met de leerling is gered!
“Traditioneel prentenboek legt het af tegen voorlees-app” klinkt in deze optiek dan weer veel minder prettig. Beide koppen zijn echter afgeleid van wetenschappelijke onderzoeksresultaten. Onderzoek naar prentenboeken werd verricht door onderzoeker Zsofia Takacs, verbonden aan de Universiteit Leiden. Ze deed literatuuronderzoek en voerde experimenten uit en ontdekte zo dat bewegende illustraties, muziek en geluidseffecten kinderen helpen om de tekst beter te begrijpen. Het rapport dat ten grondslag ligt aan de eerste koppen, 'Students, Computers and Learning: Making The Connection', toont dat die landen die aanzienlijk investeerden in ICT in het onderwijs "geen enkele opvallende verbetering" lieten optekenen in de PISA-resultaten (PISA is een examen dat 15-jarigen afleggen in OESO-landen).

Voor mensen die nooit verder lezen dan de kop van een verhaal of studie lijkt alles behoorlijk in tegenspraak met elkaar, maar bedenk: het is maar journalistiek en het is in elk geval gelukt met deze koppen jullie aandacht te vangen. Terug naar de schoolprestaties en computers. Wie de moeite neemt om zich wat te verdiepen in de studie die de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) uitvoerde in 31 landen, van China, over Europa (ook Nederland), tot de VS. zal toch wel wat meer aanbevelingen tegenkomen dan de kop doet vermoeden. De conclusie staat in elk geval. Als elke leerling een basisniveau in begrijpend lezen en wiskunde bereikt, zal dat "in onze digitale wereld meer bijdragen tot gelijke kansen dan simpelweg de toegang tot hoogtechnologische apparaten en diensten te vergroten of te subsidiëren", concludeert de studie. Het woordje ‘simpelweg’ geeft eigenlijk het grote probleem aan dat in het onderwijs is opgetreden. Investeren in techniek zonder verandering van de didactiek en opleiding van docenten, heeft geen zin. De digitale didactiek wordt nog vaak niet goed toegepast om de voordelen van de technologie volledig te benutten. Technologie zo maar invoeren is nutteloos.
Daarnaast concludeert het rapport dat als games net zo slecht zouden zijn doordacht als onze educatieve software niemand ze zou spelen. De digitale vaardigheden van docenten én leerlingen worden ook stelselmatig overschat, zo stellen de onderzoekers verder. Dit leidt er mede toe dat de opbrengst van de investering zo matig is.

Het rapport is dus geen vrijbrief om de techniek de deur uit te doen, maar juist een aansporing om meer te investeren. Weliswaar niet in techniek, maar in mensen. Zo schrijft de OESO: “The findings must not lead to despair. We need to get this right in order to provide educators with learning environments that support 21st-century pedagogies and provide children with the 21st-century skills they need to succeed in tomorrow’s world. Technology is the only way to dramatically expand access to knowledge.”
“We have not yet become good enough at the kind of pedagogies that make the most of technology; that adding 21st-century technologies to 20th-century teaching practices will just dilute the effectiveness of teaching.”
Tot slot: “To deliver on the promises technology holds, countries will need a convincing strategy to build teachers’ capacity. And policy-makers need to become better at building support for this agenda. Last but not least, it is vital that teachers become active agents for change, not just in implementing technological innovations, but in designing them too.”
De kop boven de stroom tendentieuze artikelen had dus net zo goed kunnen zijn: "Lerarenopleidingen moeten docenten scholen in 21ste eeuwse vaardigheden”. Of : “Scholen hebben de plicht om leerlingen 21ste eeuwse vaardigheden bij te brengen.”

Om nog even terug te komen op het onderzoek van Zsofia Takacs. Uit de onderzoeken bleek dat normaal ontwikkelende kinderen digitale prentenboeken iets beter begrijpen en dat deze hun woordenschat verrijken. Bij kinderen die zwak zijn in taal, zoals veel migrantenkinderen, is het voordeel zelfs aanzienlijk. “Taalzwakke kinderen beter af met digitaal prentenboek” is dus eigenlijk een beter kop. Dat is dan ook de kop boven het artikel op de site van Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland.
En dit brengt ons bij een groot didactisch voordeel van ict: differentiëren. Ict is onmisbaar in de wens van leraren om meer te kunnen differentiëren in de klas. Snellere leerlingen krijgen uitdaging op maat, andere leerlingen krijgen persoonlijke uitleg bij moeilijke stof en extra oefenmateriaal. Dit stelt Toine Maes. Hij stelt verder - en ik ben het daar volledig mee eens: “Als we beter en slimmer willen leren met ict, moeten we beginnen met nadenken over de opbrengsten en wat die zouden moeten zijn. Dat is wat het rapport van de OESO ook zegt. Op basis van deze opbrengsten kunnen de juiste toepassingen voor de juiste leersituaties worden gekozen. Geen focus op meer technologie, maar een focus op de leerling, de leersituatie en de leraar die ermee gaat werken.”
Dat is ook een conclusie van Takacs. Zij “waarschuwt voor interactieve verhalen, waarbij een kind door het aanraken of verschuiven van dingen een effect oproept dat soms wel, maar vaak geen of slechts zijdelings verband houdt met het verhaal. ‘Dat leidt af en zorgt ervoor dat kinderen niet geconcentreerd kunnen luisteren.” En dus zouden app-ontwikkelaars de interactieve delen in voorleesapps volgens Takacs moeten mijden. “Ze moeten er rekening mee houden dat multitasken – spelen terwijl ze naar een verhaal luisteren – voor jonge kinderen erg lastig is.” (Bron: Universiteit Leiden)

Het onderwijs heeft dus behoefte aan beter ontwikkeld educatief materiaal en scholing van docenten. Verder heeft het onderwijs de plicht om leerlingen 21ste eeuwse vaardigheden bij te brengen. Leerlingen kunnen dat niet zelf in hun vrije tijd, iets waar we nu voor het gemak maar van uitgaan. Misschien blijkt techniek achteraf dan wel een zegen voor het onderwijs te zijn?

Wat kunnen we nu doen? En, wat gebeurt er al? De HAN bijvoorbeeld stelde het lectoraat Leren met ict in. De focus van het lectoraat Leren met ICT ligt op de beroepsvoorbereiding van aankomende leraren en op de ondersteuning van zittende leraren om ict op een zinvolle manier in te zetten voor het leren van de leerlingen. En zo zijn er ongetwijfeld meer initiatieven. Kijk ook eens op Digitaledidactiek.nl of  Reisgids Digitaal Leermateriaal.

En voor de fijnproevers onder ons. In de Mediatheek staan een drietal handboeken digitale didactiek voor jullie klaar. Aan de slag!

maandag 14 september 2015

Migratie

“Migratie is het voor langere tijd verhuizen van de ene plaats naar de andere. Dit gaat twee kanten op: emigratie en immigratie. Je emigreert wanneer je je geboorteland verlaat om voor minstens een jaar naar een ander land te verhuizen. Emigratie is dus het weggaan uit een land. Je immigreert wanneer je je in een ander land dan je geboorteland vestigt. Immigratie is dus het vestigen in een ander land.” Dit lezen we in de inleiding van het dossier Migratie dat is in te zien in de Actuele Documentatiebank (Mediatheek). Het digitale dossier is verder onderverdeeld in Immigratie, Emigratie, Remigratie en Gezinshereniging. Elk kopje leidt uiteindelijk naar recente krantenartikelen van landelijke kranten.
Elke dag zien we in het journaal de verschrikkelijke beelden van mensen die een oorlog ontvluchten en we horen over mensensmokkelaars. Het dossier Mensensmokkel in genoemde Documentatiebank is dan ook onlosmakelijk verbonden aan het Migratiedossier.

Maar wat is de omvang van het huidige vluchtelingenprobleem? Welke feiten en cijfers zijn bekend? Eind 2014 zijn er wereldwijd bijna 60 miljoen mensen op de vlucht, 8,3 miljoen meer dan het jaar daarvoor. 19,5 miljoen mensen zijn hun land ontvlucht, waaronder bijna 3,9 miljoen Syriërs. 38,2 miljoen mensen zijn ontheemd: op de vlucht in eigen land. Vluchtelingenwerk heeft een pagina Feiten en cijfers waar je dergelijke feiten kunt vinden. Meer feiten raadpleeg je bij de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en die organisatie geeft ook het lijvig Engelstalige World Migration Report uit.
Actuele dossiers over het onderwerp vind je onder meer bij One World, NPO Jornalistiek en De Groene Amsterdammer. Dossiers met een meer geschiedkundige invalshoek zijn te vinden bij Kennislink en NPO Geschiedenis.

Wat emigratie betekent en hoe je dan eigenlijk leeft tussen twee culturen kun je deze maanden in Nederland ook in verschillende tentoonstellingen ervaren. In Thuis in twee werelden: emigranten toen en nu en Tussen droom en daad. De bezoeker gaat hier onder meer de wereld rond en de geschiedenis door aan de hand van de verhalen van zestien emigranten (waaronder vier kinderen). Een en ander leidt zelfs tot Elvis Presley, die een wereldberoemde afstammeling van een Bunschoter emigrant blijkt te zijn.

Om migratie in de klas visueel te maken kun je de volgende tools gebruiken. Per land kun je hier immigratie en emigratie visueel inzichtelijk maken. Nettomigratie (het totaal aantal immigranten minus het jaarlijks aantal emigranten) per land maak je inzichtelijk via de Wereldontwikkelingsindicatoren van Google Public Data. Bij Mappingworlds vind je onder Politics Migration. Landen worden dan groter of kleiner weergegeven naargelang de migratiestroom.

Onwillekeurig kom je natuurlijk ook te spreken over de multiculturele samenleving die migratie uiteindelijk oplevert. Voor Nederland zijn er een aantal tools om dat mooi inzichtelijk op het digibord of scherm te projecteren. De spreiding van in het buitenland geboren inwoners per gemeente vind je in de multicultikaart van Tubantia. De kaart is onderdeel van een groot dossier met allerhande 
weetjes over het gedrag van immigranten. Zo zorgde de komst van Indonesiërs en Chinezen er voor dat tafeltennis en badminton een flinke boost in Nederland kregen. En zo wordt bijvoorbeeld het verkeer in Deventer (veel van oorsprong Turkse inwoners) vergeleken met het autoverkeer in Bursa in Turkije. Overeenkomst? De sedan ....
Informatie over de geschiedenis van migranten en immigratie in Nederland tussen 1580-heden, migratiestromen, een interactieve wereldkaart en video’s zijn te zien op de website VijfeeuwenmigratieNederland Migratieland is nog te zien op Schooltv. De serie geeft inzicht in de migratiestromen van nu en uit het verleden. Het geeft een actueel beeld van de (ruimtelijke) gevolgen van migratie in de Nederlandse samenleving.
De New York Times heeft een wereldkaart uitgegeven voor de afkomst van werknemers in de Verenigde Staten. Lesmateriaal voor arbeidsmigratie naar de VS vind je hier.


Bron: Vijfeeuwenmigratie
Er is meer lesmateriaal. Je kunt in de Mediatheek de toolkit (dvd en docentenhandleiding) Meer dan een nummer lenen. Handleiding en clips zijn ook te downloaden. De toolkit uit 2009 behandelt asiel en migratie binnen de Europese Unie, en is bestemd voor jongeren. Jongeren krijgen hiermee een kans om te begrijpen dat achter elke anonieme statistiek omtrent asiel en migratie een mens en een persoonlijk verhaal schuilgaat. De toolkit is uitgegeven door de IOM en het Hoog Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR). De dvd en clips bevatten vijf korte portretten van vluchtelingen uit Iran, Congo, Kosovo en migrantenarbeiders uit Italië en Mexico. 



Vluchtelingenwerk heeft tot slot een handige pagina met educatie- en lesmateriaal.

vrijdag 4 september 2015

Jouw zoekmachine

Terwijl de meeste mensen om mij heen nog steeds de mantra herhalen dat kinderen toch zo goed zijn met al die nieuwe apparaten en gadgets en dat onze generatie digibeten dit nooit zal kunnen bijbenen, wordt gelukkig ook nog steeds door velen onderkend dat het internet voor leerlingen van het basisonderwijs en middelbare scholen een moeilijk te doorgronden brij aan informatie is. Te vaak dichten docenten leerlingen nog vaardigheden toe die zij op die leeftijd niet bezitten. Want wat is bruikbaar en betrouwbaar en wat niet. Is dit bijvoorbeeld een betrouwbare site? Als je te snel knipt en plakt krijg je bij genoemde site toch wel een heel verwrongen beeld van de werkelijkheid. Hier is de onzin echter zo grotesk dat het tenminste nog snel opvalt. Vaak is het moeilijk - zeker voor leerlingen - om feiten en meningen op betrouwbaarheid en waarde te schatten.Daarom is het goed dat er nog steeds pogingen worden gedaan om redactionele producten te leveren die het internet structureren voor het onderwijs.

Voor het basisonderwijs zijn dat Meestersipke.nl, Netwijs.nl en bijvoorbeeld PO-lessen. De bij veel docnten nog bekende zoekmachine voor het onderwijs Davindi stopte in augustus 2015 en in diezelfde maand lanceerde het Amsterdamse bedrijf WizeNoze een nieuwe zoekmachine die kinderen (6-15 jaar) leeftijdsspecifieke informatie aanbiedt. Jouwzoekmachine.nl is volgens WizeNoze de eerste zoekmachine ter wereld die houdt rekening met het leesniveau van de gebruiker. In Jouwzoekmachine zijn nu meer dan 300 betrouwbare nieuws- en informatiebronnen gecheckt en toegevoegd en dagelijks komen er nieuwe bronnen bij, aldus WizeNoze. Denk aan bronnen als Willem Wever, Docukit, SchoolTV, etc. De technologie scant de content en bepaalt voor welke gebruikers de informatie geschikt is. Het betreft een eerste publieke versie, vertelt Diane Janknegt, oprichter van WizeNoze. "We weten dat we nog een heleboel dingen kunnen verbeteren en we zijn nu druk bezig met het toevoegen van meer functionaliteit (bijvoorbeeld meer video’s). Daarom noemen we het een testomgeving.” (Bron: Informatieprofessional)

Ik zou zeggen, test deze zoekmachine eens uit. Misschien kun je in een opdracht de zoekmachine gebruiken. Maar pas op. Lourense Das, onderwijsbibliothecaris, deed dat voor Informatie Professional en concludeert echter: "Op dit moment voldoet Jouwzoekmachine.nl niet: te veel niet-relevante resultaten en in gebruiksgemak even goed/slecht als Google." Voor de hele recensie zie: Informatieprofessional. Zij stelt hier ook: "De vraag dringt zich op of je eigenlijk wel moet nastreven om het internet beter te maken voor kinderen. Ik vind dat je dat niet moet doen. Wat je wel moet doen is kinderen leren omgaan met het internet net zo goed als je ze moet leren hoe ze zich veilig aan het verkeer kunnen deelnemen of hoe ze op een goede en veilige manier smartphones kunnen gebruiken."
Ik ben het hier helemaal met haar eens, maar vind wel dat het zwaartepunt bij veel opdrachten moet liggen in de verwerking van kennis en niet in het oplossen van een zoekproces. Dat moet ook gebeuren en zeker voordat het eindwerkstuk moet worden gemaakt, maar het is niet bij elke opdracht relevant. Je kunt ook de bronnen en databases in je opdracht geven en vaak is het al moeilijk genoeg voor leerlingen om op een heel andere wijze in een dergelijke database te navigeren dan zij in Google gewend zijn.

Naast bovengenoemde mogelijkheden om het internet te structureren wil ik ook nog wijzen op de Virtuele Mediatheek (het internet in trefwoorden), die door de mediathecaris van de Vrijeschool Zutphen wordt onderhouden en steeds aangepast. Ook een uitstekende manier om bij een opdracht leerlingen naar relevante informatie te leiden. Verder biedt de Mediatheek nog toegang tot de Actuele Documentatiebank Jeugd en de Winkler Prins Online Studie.
Er zijn overigens veel zoekmachines, portals of onderwerpgidsen die je kunt gebruiken voor onderzoek en onderwijs. Te@chtought zette 100 van die databases op een rij. Laat je niet intimideren door de term ‘Academic Research’. Vele zijn ook te gebruiken voor informatie voor het eindwerkstuk. Ik schreef al eerder een blog over onderwerpsgidsen en het nut van dergelijke verzamelplekken voor het onderwijs.

Ten overvloede. Een en ander wil dus nooit zeggen dat de leerlingen niet moeten leren om zelfstandig bronnen te zoeken, vinden en beoordelen. Dat is wel degelijk een opdracht van het onderwijs, waar wij ons nooit aan mogen onttrekken.

maandag 29 juni 2015

Google Apps, een update

Wat is er mooier dan tijd besparen? Niet zo heel veel dacht ik zo. Zeker voor docenten die onder zware werkdruk gebukt gaan en eigenlijk altijd in tijdnood zitten heeft Google toch maar mooi een aantal tijdbesparende mogelijkheden ingebouwd in Google Apps for Education.
Wat dacht je er van om zelf een YouTube kanaal te openen met je vszutphen account? Dit kanaal is dan gekoppeld aan jouw schoolmail waardoor je niet heen en weer hoeft te schakelen tussen allerlei bestanden en te zoeken op je pc of laptop. Je kunt hier afspeellijsten maken (per onderwerp of les) en je abonneren op andere kanalen. Als je vervolgens binnen YouTube klikt op je foto of icoon rechtsboven kun je kiezen voor Creator Studio van YouTube. Daarmee kun je - vergelijkbaar met Windows Movie Maker - je eigen video’s maken en van geluid uit de Audiobibliotheek van YouTube voorzien. In die bibliotheek zitten onder meer gratis muziek (rechtenvrij) en geluidseffecten. Dus: maak een uitlegvideo, upload dat naar YouTube en voeg daar eventueel afbeeldingen, audio en overgangen aan toe. Maak vervolgens een mooie titelpagina en klaar is je uitlegfilm. Je hebt de classroom “geflipt”, zoals dat officieel heet, en de video staat ook nog eens op de goede plaats onder jouw eigen account. Eventueel markeer je eerst de video als privé, waarna je hem later deelt. Hoe je een en ander stapsgewijs doet staat beschreven in een artikel Werken met YouTube Video Editor in de COS, onafhankelijk vaktijdschrift voor eigentijds onderwijs en ict van februari 2015. (In de Mediatheek)





Google lanceerde vorig jaar ook een nieuwe, gratis onderwijstool: Google Classroom. Classroom is middels het Personeelsportaal via Drive te bereiken. Het is het klassenmanagement van Google zelf. Hiermee kan de leerkracht binnen Google Apps for Education opdrachten geven en aankondigingen doen. Het is een leeromgeving waar Google-diensten als Drive en Gmail samen komen binnen één overzichtelijk dashboard.



Als je via Classroom een opdracht uitgeeft kun je met het programma snel zien welke leerlingen bepaalde opdrachten niet op tijd hebben ingeleverd. Daarnaast kan een verslag direct worden beargumenteerd en beoordeeld. Ook kunnen docenten met behulp van Classroom mededelingen plaatsen, vragen stellen en communiceren met de leerlingen. Classroom maakt zelf nieuwe Drive mappen aan voor elke opdracht en voor iedere student die wordt toegevoegd in de applicatie. Zo is het ook voor de leerlingen makkelijker om te zien welke taken nog uitgevoerd moeten worden.

Praktijkvoorbeeld
Pim Staals, leraar op basisschool De Pionier in Valkenswaard, introduceerde de tool in groep 8 en beschreef voor Kennisnet zijn ervaringen. Wat Staals direct opviel, is het gebruiksgemak waarmee je opdrachten kunt wegzetten. Voordat het zo ver is, moet je wel (eenmalig) een lesgroep (zo heet dat in Classroom) aanmaken. Om in een lesgroep te werken moeten leerlingen vervolgens toegevoegd worden. Dit kan de leerkracht doen door een mail te sturen aan de leerlingen, maar de leerling kan ook zichzelf toevoegen door een groepscode in te voeren. In onze situatie kun je zo dus makkelijk een hele klas in één keer via mail bereiken. Maar wat ook handig is, is dat je leerlingen individueel in een groep kunt plaatsen (vak) buiten hun klas om.
Als docent kun je vervolgens binnen Classroom opdrachten of aankondigingen versturen. Je kunt ze voorzien van (door jou vervaardigde) YouTube-filmpjes, afbeeldingen of bestandsbijlagen. De opdracht kan via een werkblad worden uitgeleverd, maar open opdrachten waarbij de leerling zelf een bestand inlevert, zijn ook mogelijk. Zo stel je de leerlingen op allerlei manieren in staat hun opdracht succesvol af te ronden. Voor de docent biedt Classroom vooral veel overzicht. Zo kun je in één oogopslag zien welke leerlingen wel en welke niet hun opdrachten hebben ingeleverd en hun huiswerk hebben afgerond. Ook kun je opmerkingen aan de groep verzenden en leerlingen individuele feedback geven. Opdrachten zijn vanuit Classroom te beoordelen en deze beoordeling is ook meteen inzichtelijk voor leerlingen.
De interface geeft een duidelijke weergave van de aankomende opdrachten en nieuwste aankondigingen.Leerlingen kunnen op hun beurt de opdrachten en het huiswerk via Google Docs maken en het met een druk op de knop weer inleveren. De tool maakt bij iedere opdracht automatisch nieuwe mappen aan. Een map voor de docent en een persoonlijke map op de drive van iedere leerling. Het werk dat ze inleveren wordt dus vanzelf op de juiste plekken opgeslagen. Het voordeel is dat je leerlingresultaten dus altijd kunt bewaren en eventueel kunt koppelen aan een digitaal portfolio. Ook al verwijder je oude documenten in Classroom, in Drive blijven ze gewoon staan. Met Drive bestaat een directe link. Wil iemand zijn documenten in Drive toch verwijderen, dan kan dat handmatig. Middels een persoonlijke opdrachtenpagina weten leerlingen precies wat ze al gedaan hebben, waar ze nog mee aan de slag moeten en hoe ze hun voltooide huiswerk en opdrachten gemaakt hebben.
Het ROC van Twente heeft een prachtige handleiding gemaakt bestaande uit een zevental videolessen. Ook bij Google zelf vind je een achtstappenplan.

Over de opslag van data hoef je je ook geen zorgen meer te maken. Sinds 1 november 2014 is de nieuwe Drive for Education gratis beschikbaar voor alle Google Apps for Education-gebruikers met ongelimiteerde dataopslag. (Bron: ICTnieuws.nl)

Classroom is trouwens gewoon gratis en valt ook binnen ons vszutphen account. Het bevat dan ook geen advertenties. Alle informatie blijft binnen de groep en is naar buiten toe beveiligd. Google garandeert ook (voor wat dat dan waard is) dat alle projecten en communicatie binnen Classroom nooit zal worden verkocht aan derden. Of je nu Magister-elo of Google Classroom gebruikt, voor beide opties geldt natuurlijk dat we altijd alert moeten zijn op privacyvraagstukken. De documenten staan immers (weliswaar beveiligd) online. Over de problemen die dit met zich brengt schreef ik al eerder.

Scholen zien vaak over het hoofd dat zij geen eigenaar zijn van de data die zij genereren. Juridisch gezien zijn data niets. (Bron: ICT en recht) Het is dus niet mogelijk om bij data te spreken van eigendom. Waar men fysieke goederen nog kan terugeisen als een opslagbedrijf de huurovereenkomst opzegt, staat bij data de school met lege handen als het contract wordt ontbonden of de clouddienst wordt beëindigd. Als je al je lesmateriaal aan de cloud toevertrouwd en als school geen maatregelen neemt betreffende eigenaarschap van het materiaal kun je bij beëindiging van een contract nogal wat problemen verwachten. Eigenaarschap moet je - in een tijdperk waarin docenten zelf materiaal maken - sowieso ook goed regelen met je docenten. Wie heeft eigenlijk de rechten of het eigenaarschap van in de baas zijn tijd gemaakt lesmateriaal? En, daaraan gekoppeld, mag de docent dit materiaal meenemen naar een nieuwe arbeidsplek?

Ik zou sowieso - gezien het bovenstaande - van de opdrachten zelf altijd een kopie bewaren. Je weet maar nooit.

Google Teacher Academy
Ben je geïnspireerd en wil je nu de zaken grondig aanpakken, dan zou je ook eens kunnen denken aan de Google Teacher Academy. De data voor dit jaar zijn nog niet bekend, maar verslagen van vorig jaar vind je hier. Er zijn nu 34 Google Certified Teachers in Nederland die met de kennis die ze hebben opgedaan het verschil kunnen gaan maken.
Onze school biedt sinds dit jaar de mogelijkheid om gebruik te maken van de Microsoft IT-Academy (via Magister) op school. Ook docenten kunnen dit traject volgen! Maar - je ziet het - Google biedt dus eveneens lesmateriaal en examens voor docenten aan.

Dat wordt ongetwijfeld een leuke zomer?!

Zie ook: Alice Keeler, Reisgids Digitaal Leermateriaal en de Google Essential Resources Guide

vrijdag 12 juni 2015

Gratis Masterclass en Mooc's

Op iedere schoolwebsite zie je wel termen als motivatie, nieuwsgierigheid of interesse met betrekking tot de leerlingen staan. Iedere leraar en iedere ouder heeft wel een idee over motivatie, en hoe je dat zou kunnen bevorderen. Maar wat is dat nou eigenlijk: motivatie? Wat heeft ict te maken met motivatie? En autonomie? En hoe zit het met motivatie van leerkrachten? Onderwijs en Leerwetenschappen van de Open Universiteit oraniseert eind juni een gratis online masterclass over het onderwerp. De masterclass richt zich vooral op intrinsieke motivatietheorieën zoals de veelgebruikte zelfdeterminatietheorie. Vraagstukken die aan de orde komen zijn: 

  • Wat heeft ict met motivatie te maken? 
  • En autonomie? 
  • Hoe komt het dat wanneer je iets interessant vindt, leren bijna vanzelf lijkt te gaan? 
  • En hoe zit het eigenlijk met de motivatie van leraren? 
  • Is er een relatie tussen de motivatie van leraren en die van de leerlingen? 
  • En wat valt er te zeggen over de relatie die radicale onderwijsvernieuwers, zoals de iPad scholen, leggen tussen een sterke personalisering van het curriculum en de motivatie van hun leerlingen? 
Van 24 juni tot 1 juli 2015 kun je bij de Open Universiteit deze gratis Online masterclass Motivatie volgen. De masterclass wordt verzorgd door prof. dr. Rob Martens. Er vinden in deze periode twee livesessies plaats, een op vrijdag 26 juni met prof. dr. Rob martens, en een op dinsdag 30 juni met een aantal onderzoekers die hun lopende of onlangs afgesloten onderzoek op dit gebied presenteren. Iedereen kan deze live sessies gratis via internet volgen, maar alleen deelnemers aan de masterclass kunnen tijdens de live-sessies vragen stellen. Meer informatie en het volledige programma is binnenkort beschikbaar op de website van de masterclass.

In het verlengde hiervan: Is Gamification de nieuwe didactische tool? Is het een tool voor docenten, mediacoaches en ouders om inhoud te verpakken in de vorm van een spelconcept binnen de klas of in de thuissituatie? En raken kinderen daardoor meer gemotiveerd? Stelt gamification kinderen in staat om op een creatieve en intuïtieve manier (studie)materiaal op te nemen? Hierover gaat de eerstkomende MOOC MEE! Deze start op 22 juni. Aanmelden kan tot 20 juni a.s. Schrijf je in op www.moocmee.nl! De MOOC over Gamification is ontwikkeld door het Projectteam Taal en Media voor Jeugd en Jongeren (Brabantse Netwerkbibliotheek) en de Bibliotheek CultuurPuntAltena.

Met de vakantie in zicht is er misschien voor sommigen onder ons eindelijk tijd om je nu eens echt te verdiepen in zoeken met de Google zoekmachine. Je kunt er misschien direkt je voordeel mee doen bij het boeken en organiseren van je vakantiereis voor dit jaar. Google Inside Search legt je - in het Nederlands - alles uit over zoeken en geeft vele tips en trucs. Maar ook bij Google kun je MOOC’s Zoeken met Google volgen. Er zijn twee Engelstalige cursussen Power Searching en Advanced Power Searching.

Het is belangrijk om ook zelf eens te ervaren wat leren middels een MOOC met je doet. Ik merk dat veel docenten een mening hebben over online leren zonder zelf ooit aan een vorm van e-learning te hebben deelgenomen. Misschien dat deze ervaring dan kan worden meegenomen in een volgende discussie op school.

maandag 8 juni 2015

Onderzoekend leren

Wetenschap, het klinkt heel gewichtig. Ongetwijfeld denken onze leerlingen in eerste instantie aan wat oudere, grijze mannen en vrouwen in een laboratoriumsetting. Het kan zijn dat leerlingen bekend zijn met bijvoorbeeld de University van De Wereld Draait Door, waardoor sommigen misschien een wat ander beeld hebben gekregen van wetenschappers. Hoe dan ook, leerlingen zien het vaak als een ver van mijn bed show. Dat wetenschap regels heeft en dat wij deze regels eigenlijk ook op school toepassen bij het maken van bijvoorbeeld een werkstuk of het doen van een proef of onderzoek zal minder bekend zijn, het lijkt ook stoffig misschien.
Maar saai vinden de leerlingen die het spel expeditie Moendoes hebben gespeeld het allerminst. Een team wetenschappers uit allerlei vakgebieden wordt er vanaf de aarde op uit gestuurd. Hun missie: de zoektocht naar een planeet waar mensen kunnen wonen. Tijdens de missie stuit het team op een onbekende planeet, met intelligente bewoners die hun planeet Moendoes noemen. De wetenschappers gaan op onderzoek uit: hoe zit het hier met de zwaartekracht, en met de seizoenen? Zijn de lokale dieren gevaarlijk? Hoe zit de taal van de bewoners in elkaar? En wat betekenen die gele driehoekjes? Expeditie Moendoes is een spannend spel met opdrachtkaartjes, waarin leerlingen een onbekende planeet in kaart brengen. Ze moeten daarvoor informatie verzamelen, gegevens uitwisselen en conclusies publiceren: kortom, te werk gaan als een team wetenschappers. Het spel is geschikt voor alle vakken. Leerlingen maken zo in één lesuur op een speelse manier kennis met de essentie van wetenschap en doen ervaring op voor hun eindwerkstuk. Het fysieke spel is niet meer te verkrijgen, maar nog wel te downloaden als je bent geregistreerd bij De Praktijk.

De boekenreeks ‘Wetenschappelijke doorbraken de klas in' biedt inspiratie en concrete handvatten aan leraren om zelf met wetenschap in de klas aan de slag te gaan. Stap voor stap laten we je zien hoe je kinderen kunt begeleiden bij het opzetten van hun eigen onderzoek. Bij deze reeks hoort een externe website van het Wetenschapsknooppunt Radboud Universiteit. Je vindt er (les)materialen, filmpjes en links naar achtergrondinformatie. Het materiaal is bestemd voor het primair onderwijs en voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De zeven stappen van onderzoekend leren (de term voor deze leervorm), die de basis vormen van dit lesmateriaal van de Radboud Universiteit zijn gebaseerd op het basisdocument LOOL van Marja van Graft en Pierre Kemmers (2007).

Wat leer je dan zoal in bovengenoemde voorbeelden? De leerling krijgt ervaring in het opzetten en verrichten van een onderzoek en maakt kennis met een aantal wetenschappelijke begrippen. Alles wat hij of zij verricht wordt vaak ook bijgehouden in een logboek. Verslaglegging is namelijk een essentieel onderdeel van wetenschap. Voor alle wetenschap (niet alleen de natuurwetenschappen) is natuurlijk ook de vastlegging van de gebruikte bronnen en het voorkomen van plagiaat van belang.

Wat voor verschillende vormen van onderzoek zijn er dan? In hoofdstuk 3 van Beter leren door onderzoek (VU, 2014) wordt het volgende onderscheid gemaakt in onderzoeksvormen:




Ook de WebQuest is een vorm van onderzoekend leren. Het de bedoeling dat leerlingen met WebQuests higher-order-thinking-skills aanleren (Dodge, 1995). Bloom maakt een onderscheid tussen lower order thinking skills (die kennisverwerking ondersteunen) en higher order thinking skills (die kennisconstructie en kritisch denken ontwikkelen). Daarnaast betekent het werken met WebQuests dat leerlingen vaak in groepjes werken (samenwerkend leren) en dat ze zelf op onderzoek uit zullen moeten gaan (onderzoekend leren en actief leren), waarbij de leerkracht begeleider is.
Omdat ik nogal een Marzano (Leren in vijf dimensies) adept ben het volgende: Al het leren gebeurt binnen een set van houdingen en attitudes dat het leren bevordert of juist tegengaat (dimensie 1). Leren wordt daarnaast beïnvloed door de manier waarop de gewoontes van dimensie 5 (reflectieve denkgewoontes) gebruikt worden. Dimensie 1 en 5 zijn de achtergrond voor het leren; met deze twee factoren moet altijd rekening gehouden worden. Wanneer dit gedaan wordt, is de eerste taak van een leerling om nieuwe kennis te verwerven en te integreren (dimensie 2). Dit is een subjectief proces van interactie tussen oude en nieuwe informatie. Daarna zal er gedurende de tijd nieuwe kennis ontwikkeld worden die helpt om de huidige kennis uit te breiden en te verfijnen (dimensie 3). Dimensie 4 geeft vervolgens het uiteindelijke doel van leren aan: de kennis op een betekenisvolle manier gebruiken.
Bij het onderzoekend leren gebruiken leerlingen zowel kennis uit dimensie 2 (inhoudelijke kennis en vaardigheden) als uit dimensie 3 (de hogere denkvaardigheden). De kennis uit dimensies 2 en 3 is altijd nodig voor het producerend leren dat in feite in dimensie 4 wordt behandeld. Presenteren, reflecteren, samenwerken en communiceren in relatie tot toepassen van kennis: daar gaat het hier om.
Binnen dimensie 4 worden acht onderzoeksopzetten en denkvaardigheden onderscheiden:


Bron: Peter Lakeman

Wetenschap begint altijd met verkennen en vragen. Dat geld natuurlijk voor alle vakken, maar ik beperk me in dit artikel tot de natuurwetenschappen. Wetenschap en technologie worden vaak in één adem genoemd, zo ook in het jaarlijkse Weekend van de wetenschap dat ook dit jaar weer in Oktober zal worden gehouden.

Als docent heb je tegenwoordig gelukkig veel verkennend en inleidend beeldmateriaal voor Natuur en Techniek. De - onder jongeren - zeer populaire Vsauce kun je eigenlijk voor alle natuurwetenschappen inzetten. Maar YouTube kent een keur aan andere kanalen. Ik wil hier nog het kanaal van Wetenschap24 noemen. Hier worden intrigerende vragen behandelt als: “Waarom bestaan mannen?” Ook de Betacanon in beeld bevat prachtig beeldmateriaal, evenals Fastfacts, De kennis van nu in de klas en Labyrinth.

Om bij het speuren naar literatuur en artikelen Wikipedia als enige bron te voorkomen zijn er genoeg alternatieven. Goede artikelen vind je op Kennislink, Eoswetenschap, Betavak, Wetenschap in Beeld, New Scientist, Scientas en je zou ook nog eens kunnen kijken bij de tag ‘Wetenschap’ van de Virtuele Mediatheek.


Wil je voor de bovenbouwleerlingen nog wat meer mogelijkheden bieden dan zijn er nogal wat gratis wetenschappelijke publicaties te vinden via Google. Typ “Science books online” en je vind onder meer Physicsdatabase en Science Books Online. Hier vind je Engelstalige uitgaven per vak. Helaas kun je niet op trefwoord zoeken, maar de gratis publicaties zijn meestal per vak en categorie te vinden. Ook bij CK12.org vind je Engelstalige tekstboeken specifiek voor het voortgezet onderwijs voor alle wetenschappen. Zoek hier je onderzoeksgebied en klik vervolgens op FlexbooksTextbooks. Je vind hier voor de natuurwetenschappen ook video’s met uitleg over bepaalde berekeningen en fenomenen.

Lesmateriaal en proefjes vind je onder meer bij De Praktijk, Universiteit Utrecht, Slimme handen.nl en de Rijksuniversiteit Groningen.

Tot slot. Op Betavak.nl vind je allerhande tools om je werk te presenteren, suggesties voor veldwerk en onderzoek en een overzicht voor het schrijven van een onderzoeksverslag. Deze laatste link geeft een goed inzicht in het schrijven van een verslag of (eind)werkstuk.


Zie ook: Didactief Special juni 2015 (Mediatheek)

donderdag 21 mei 2015

Vrije scholen en ICT: "Een stand van zaken"

In de titel van dit stukje geef ik bewust aan dat het hier “een stand van zaken” rond vrije scholen en ICT betreft. Onderstaand is een overzicht van projecten, websites en ideeën die ik heb kunnen vinden. Een algeheel overzicht van de vele initiatieven en ideeën binnen de vrijeschoolbeweging ontbreekt namelijk. Vrije scholen worstelen met ICT. Laptops, smartphones, wifi: hoe duiden we dergelijke fenomenen? Wat kunnen we er mee in onze lessen en in welk leerjaar starten we met de introductie van de computer op school? Moet je op een onderbouw al een PowerPoint leren maken? Of juist niet? Wanneer leer je werken met video? Moet je leren programmeren? Een brede didactische discussie komt echter maar zeer moeizaam op gang binnen de vrije scholen en wordt dan ook nog zeer fragmentarisch gevoerd. Het gevolg is dat elke school zijn eigen koers vaart en dat individuele docenten ondertussen gewoon gebruik maken van ICT in hun lessen. Ieder op zijn of haar eigen manier, zonder doordachte overkoepelende digitale didactiek gebaseerd op het gedachtengoed van Steiner.

Wordt er dan niet gediscussieerd in de vrijeschoolbeweging? Natuurlijk wel. In maart nog werd door de Hogeschool voor geesteswetenschappen bijvoorbeeld een conferentie met Andreas Neider georganiseerd. In de uitnodiging lezen we: “Met het organiseren van deze conferentie willen we iedereen die de uitdagingen van deze tijd niet wil verslapen, de gelegenheid bieden om met ons een wakker bewustzijn te ontwikkelen voor wat er op het gebied van moderne media echt gaande is. In de waan van de dag maken we ook zelf vaak onnadenkend gebruik van de moderne technische hulpmiddelen. Het past bij deze tijd om die mogelijkheden te gebruiken, te verkennen en te leren kennen. Daarnaast zijn er ook mensen nodig die reflecteren op deze moderne verschijnselen en met elkaar de schone schijn proberen te doorgronden.” En verder: “Moderne media laten een belangrijk tegenbeeld zien. In veel films en computerspelletjes treden fabelwezens op en zombies, overledenen en andere spookachtige verschijningen. Hiermee spelen de makers van deze media geraffineerd, maar meestal onbewust, in op het verlangen naar spiritualiteit. Kinderen en jonge mensen zijn de voornaamste consumenten van deze media. Voor hen is dit een groot gevaar omdat hun oordeelsvermogen en hun wil (laat staan hun ‘ik’) nog niet zo ontwikkeld zijn.” (Bron: Vrijeschoolbeweging.nl)
Het is wel een heel erg simplistisch beeld van nieuwe media. Ik ben niet op de conferentie geweest en weet dus ook niet of de discussie rond moderne media beperkt is gebleven tot films en computerspelletjes. Als dat wel zo is vind ik het een zeer negatieve ingang tot de materie, waarbij de uitkomst van de discussie op voorhand al vast staat. Wat te denken van de overvloed aan bronnen die nu digitaal ter beschikking staan voor onderzoek door onze leerlingen. Wat te denken van creatieve software om foto’s te bewerken en video te monteren en zo kan ik nog wel even doorgaan. Nogmaals een citaat uit de uitnodiging: “Het is daarom wenselijk en noodzakelijk om naast het gebruik van moderne media, bezig te zijn met compenserende creatieve en spirituele activiteiten waarin de extra ruimte, de overschotkrachten van het etherlichaam, worden aangesproken, zoals in kunstbeoefening, tuinieren, natuurwaarneming, meditatie en andere spirituele activiteiten.”(Bron: Vrijeschoolbeweging.nl) Natuurlijk kun je het met dit laatste alleen maar volmondig eens zijn. Maar wat is precies het probleem met bewerkingssoftware voor fotografie of film? En kun je ook verkeerde boeken lezen, of zijn er alleen maar goede boeken. Er zijn natuurlijk hele foute boeken, maar lezen we daarom niet? Ik wil hier alleen maar aangeven dat ik soms zo bang ben dat de nuance compleet verloren gaat als je alleen maar focust op de uitwassen.

Op Bureau Jeugd en Media blogt Freek Zwanenberg. Hij is op het blog expert (oud leerling) voor Vrije School en media. Hij stelt in een blogpost: “Op de vrijeschool wordt in het basisonderwijs geen ICT ingezet, in tegenstelling tot de enorme opmars van ICT in veel andere scholen. Een verfrissende tegenbeweging, maar ook een uitdaging voor vrijeschoolouders die hun kind wél vast kennis willen laten maken met media.“ Ik weet uit ervaring dat deze mening door velen in en buiten de vrijeschoolbeweging wordt gekoesterd, maar er wordt in het basisonderwijs in de praktijk wel degelijk gebruik gemaakt van ICT. Niet op elke onderbouw misschien, maar ik ken voorbeelden. De Belgische vrije scholen publiceerden al in 2004 een visie over ICT in het basisonderwijs. Uit Onderwijs in een technologische wereld: “De grootste moeilijkheid is die, dat geen enkele opvoedingsmethode, ook al is die nog zo ideaal, de mens buiten het leven mag plaatsen. (...) Ziet u, als u een kind wilt opvoeden in absolute overeenstemming met de idee, dan zult u het op zijn veertiende, vijftiende jaar zover hebben, als zeer zeker heel ideaal kan zijn, maar het kind kan zijn weg niet vinden in het moderne leven, het weet niet wat te beginnen. Zodat er dus op de Vrije School niet zuiver en alleen aan de verwezenlijking van een ideaal gewerkt werd en wordt, maar dat het zaak is het kind zo op te voeden dat het steeds de aansluiting weet te vinden bij het leven van vandaag, bij de huidige sociale verhoudingen.” (citaat uit: Steiner, R., Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst, (GA 305), Zeist, 1980, p. 141) Volgens de Federatie van Steinerscholen in België lijkt er zich (in 2004) binnen de Steinerscholenbeweging (internationaal) een consensus te vormen dat ICT gebruik in de klas voor het vijfde leerjaar niet aan te bevelen is. “Dit betekent niet dat het vanaf het vijfde leerjaar aan bod moet komen. Op dit vlak zijn er internationale en lokale verschillen. De voorwaarden voor werkelijk veilig, zinvol en verantwoord ICT-gebruik, zijn vóór die leeftijd zeker nog niet steeds vervuld (voldoende ontwikkelde leesvaardigheid, een zeker objectiverend vermogen, beoordelingsvermogen, …). Ook wanneer een leraar in het basisonderwijs besluit om ICT niet te integreren in zijn klaspraktijk, is het toch aan te raden dat de leraren zelf vertrouwd zijn met ICT, in de eerste plaats om een geloofwaardige en gefundeerde beslissing betreffende ICT in de klas te kunnen nemen.” (Bron: Samenvatting visietekst)

Freek Zwanenberg had het al over een uitdaging voor vrijeschoolouders. Een voorbeeld van zo’n ouder die worstelt met ICT is Martine Hogerwerf, die als vrijeschoolouder een blog begon, ‘Mijn vrijeschoolkind online’. Hier geeft zij voorbeelden van dilemma’s waar je als vrijeschoolouder mee te maken krijgt, als je toch aan mediaopvoeding wilt doen. Want wat als je een middenweg wilt bewandelen, en wel zelf je kind toch al wat dingen over media wilt leren? Waar moet je dan beginnen? In hoeverre is het te rijmen met de antroposofische mensvisie? En hoe moet je dan omgaan met de huiver vanuit school?
Zwanenberg duidt in zijn blogpost ook de visie van Steiner over de verhouding van de mens tot technologie. “Omringd door al die technologie raken we ons oorspronkelijke contact met de natuur kwijt. Maar: “Het herontdekken en ontwikkelen van je geestelijke (spirituele) vermogens moet volgens hem (Steiner) juist middenin het moderne leven plaatsvinden, niet erbuiten.”

Het duiden van ICT in ons onderwijs blijft een moeilijk vraagstuk dat zich niet makkelijk laat vatten in een eenduidige en door iedereen binnen de vrijeschoolbeweging omschreven leerlijn mediawijsheid, zoals in 2014 is gepoogd door de Vereniging van vrije scholen. Een dergelijke - aan de Steinerpedagogie gekoppelde - leerlijn is niet binnen een paar maanden te verwezenlijken. De teleurstelling daarover was zo groot dat over het m.i. succesvolle deelproject Werken met WebQuests niets meer is vernomen. Volgens mij ligt echter juist de oplossing in het ervaring opdoen, het maken van digitaal en interactief lesmateriaal en het delen van dit materiaal met collega’s. Trial and error, kijken wat werkt of niet zal het ontwikkelen van een antroposofisch onderbouwde visie op ICT en een bijbehorende leerlijn alleen maar stimuleren. (Zie bv. het aardrijkskundeblog van het Novalis College) Dit lijkt mij een betere weg dan in abstractie blijven praten over iets wat gewoon onder je handen verder evolueert in de maatschappij. De zogeheten Derde Industriële Revolutie gaat echt aan niemand voorbij, ook niet aan de vrijeschoolbeweging!

Wat schetst plots mijn verbazing? Ineens blijken nu een aantal jonge docenten, vakredacteuren vanuit verschillende scholen (wie, waarom), een vrijeschoolwiki te hebben ingericht. Als ik nu kijk bij grammatica klas 7, werkvormen, dan blijkt dat het oefenen met de computer, het zichzelf testen van de leerlingen met automatische feedback, ineens bon ton is. Vraag het een willekeurige vrijeschool docent en hij zal je onmiddellijk vertellen dat de band van de docent met de leerling hierdoor in gevaar komt. Onze Belgische vrienden over dit onderwerp op de onderbouw: “Onder bepaalde voorwaarden (motivatie om het leertraject helemaal door te maken, aanleren van cognitieve en met het geheugen samenhangende vaardigheden, enz.) opent deze leerwijze mogelijkheden, maar het is echter zeer de vraag of lagere-schoolkinderen aan deze voorwaarden voldoen. Bovendien verdwijnen in het ‘digitale leerproces’ een aantal belangrijke aspecten zoals de verbinding van alle kennis met de mens, het leren over de wereld in een gevoelsmatige context, het kunstzinnige en esthetische karakter van hetgeen men kinderen aanreikt, enz. Om deze redenen is het gebruik van ICT bij het aanbrengen van inhouden geen geschikt instrument in de Steinerschool. De beleefbare menselijke bemiddeling (opvoedkunst) staat hoe dan ook centraal.” (Bron: Samenvatting visietekst)

Positief is dat er in elk geval beweging is, want wat is er beter dan op deze wijze via een wiki je eigen methode-onafhankelijke lesmateriaal openbaar te maken, te delen en te behouden voor nieuwe generaties leraren. Ik hoop dan ook dat vele docenten hun materiaal gaan toevoegen aan de vrijeschoolwiki. Ik persoonlijk vind het dan wel weer heel jammer dat veel opdrachten vervolgens gewoon weer teruggrijpen op potlood en papier. Ik zie heel weinig interactiviteit in het lesmateriaal (vergelijk dit eens met de stercollecties van VO-content). Interactiviteit zie ik ook niet bij Veel Goeds, dat lesmateriaal aanbiedt voor de onderbouw. “De website is ontstaan uit de behoefte een hedendaags platform te creëren om allerlei mooie vondsten met elkaar te delen. Het is toch zonde van de tijd wanneer leerkrachten elk jaar het wiel opnieuw moeten uitvinden, of dat wegens tijdgebrek niet zo goed kunnen doen als ze zouden willen. Terwijl er in vele kasten het prachtigste materiaal gewoonweg ligt te verstoffen.” Het betreft hier helaas een betaalsite! Ik heb geen abonnement en kan het materiaal dus niet goed beoordelen, want delen en hergebruiken van lesmateriaal onder Creative Commons Licentie (zonder kosten) heeft mijn voorkeur en is gezien alle ontwikkelingen (Wikiwijs, Klascement in België) ook de weg die het onderwijs is ingeslagen.

De initiatieven die nu worden genomen binnen de vrijeschoolbeweging doen mij denken aan de begintijd van het WorldWideWeb toen bedrijven en gemeenten hun folders en bestanden online zetten. Je ziet dat ook bij het blog over Jaarfeesten, bij de Doehoek en Helend Leren, om zo maar eens wat voorbeelden te noemen. Ik hoop dat we er na deze fase snel toe overgaan om dan nu echt de mogelijkheden van digitale didactiek te gaan onderzoeken. Want het zelf maken en delen van lesmateriaal was nog nooit zo makkelijk en past geheel bij ons leermiddelenbeleid: “Eigen lesstof beklijft beter - vrijescholen ontwerpen liever zelf. Reguliere lesmethodes kunnen knellen, vinden de vrijescholen. Zelf schrijven en uitwisselen gebeurt er op grote schaal. We willen geen methodeschool worden.” (Bron: Leermiddelenvo.nl)

Het zou mooi zijn om gezamenlijk over deze zaken na te denken, onder de vlag van één project met één duidelijke projectleider, projectverslagen en evaluaties. Dat moet toch mogelijk zijn? Ik doe mee! Reacties op dit blog kun je hieronder bij Opmerkingen plaatsen.

Zie ook: Electrosmog