vrijdag 23 februari 2018

Het hoofd wordt een steeds tragere computer

“Het was nooit genoeg. Het bracht geen rust, maar juist onrust in huis. Dat kun je de kinderen niet kwalijk nemen, want games en social media zijn juist ontworpen met een ingebouwd verslavend effect.”
Rebecca Altamirano, baas van een tech-bedrijf in Silicon Valley in Brandpuntplus

Steeds meer scholen geven iPad-onderwijs, we sturen elkaar nauwelijks nog handgeschreven brieven en zelfs het boodschappenlijstje wordt vaak in een app gemaakt. Juist daarom blijft goed leren schrijven voor kinderen van groot belang, benadrukt Aartje Schoemaker. Schoemaker is oud-docent en zet zich in voor het Platform Handschriftontwikkeling. Maak van schrijven op de basisschool een apart vak, in plaats van het bij 'taal' onder te brengen, adviseerde het Platform Handschriftontwikkeling de Kamer in januari van dit jaar.

Kinderen moeten het dichtbij kijken steeds na 20 minuten onderbreken voor een pauze van 20 seconden en moeten eigenlijk ook dagelijks 2 uur buiten spelen. Bij kinderen die al bijziend zijn, moeten oogartsen de verslechtering van de ogen remmen met druppels en lenzen. Het zijn waarschuwingen van oogheelkundige Caroline Klaver van het Erasmus MC. Al jaren stijgt het aantal kinderen dat ver weg niet meer scherp ziet, en die bijzienden hebben later een grotere kans om slechtziend te worden. De boosdoener is duidelijk, zegt Klaver: de vele schermpjes waar kinderen naar staren, en het feit dat ze minder vaak buiten komen. Bij kinderen die al bijziend zijn, moeten oogartsen de verslechtering van de ogen remmen met druppels en lenzen. (Bron: Trouw en NRC)

In de Digitale Nieuwsbrief van Digischool van mei 2017 lezen we dat het gebruik van smartphones en tablets steeds vaker wordt toegelaten in de klas. Uit onderzoek van een jaar daarvoor blijkt dat 9 van de 10 docenten het gebruik van smartphones tijdens de les goedkeurt. Het gebruik van tablets is een meerwaarde voor het onderwijs geworden, maar zijn smartphones - vraagt Digischool zich af - toch niet veel te afleidend voor kinderen? Digischool zet aan het eind van het artikel de voor- en nadelen van tabletgebruik en smartphones in school op een rijtje. Afleiding en onduidelijkheid over de leeropbrengsten worden onder meer als nadelen opgevoerd.

In Frankrijk zien ze vooral nadelen van de smartphone en dat land maakt ondertussen korte metten met mobieltjes op school. Vanaf september 2018, het begin van het schooljaar, zijn smartphones op basisscholen en middelbare scholen verboden. Er is al een verbod op het gebruik van de apparaten tijdens de les, maar dat wordt uitgebreid naar pauzes. Leerlingen op lycées (vanaf 15 jaar) zouden nog wel gebruik mogen maken van mobieltjes. (Bron: Tweakers.net)

‘Heeft de smartphone een generatie verpest?’ kopte een artikel van psycholoog Jean Twenge in het Amerikaanse tijdschrift The Atlantic. De zogenaamde iGeneratie, geboren tussen 1995 en 2012, zou door smartphones depressiever zijn, concentratieproblemen hebben en minder empathisch zijn. “De schrijver heeft het onderwerp goed en wetenschappelijk onderzocht. Ik schrok van de resultaten”, reageert Michel van Ast in COS van november 2017. Hij is spreker, trainer en adviseur over onderwijs en ICT en schreef onder meer het boek Kleppen dicht. Het heeft volgens Van Ast weinig zin te ontkennen hoe belangrijk smartphones zijn in hun leefwereld en ook later tijdens hun studie of op het werk. “Laten we vooral de leerlingen begeleiden bij het omgaan hiermee door mediawijsheid te integreren in alle vakken.” Voor het inzetten van de smartphone in de les geldt wat Van Ast betreft een algemene regel: je moet kunnen uitleggen hoe het bijdraagt aan het leren. Is het alleen om de les op te leuken, dan kun je het beter achterwege laten. Blijf in elk geval als docent ook bij en weet waar je over praat en waar jouw leerlingen mee bezig zijn op het web. Dat kan bijvoorbeeld door de Monitor Jeugd en Media te volgen.

Docent vindt smartphone verrijking
Onderzoek van eind 2017 toont aan dat een meerderheid (51%) van de docenten in het voortgezet onderwijs in Nederland de inzet van de smartphone voor onderwijsdoeleinden - al of niet onderbouwd - een verrijking voor het onderwijs vindt. Tegelijkertijd merkt ook een meerderheid van de docenten in het voortgezet onderwijs een negatieve invloed op de schoolprestaties door social mediagebruik van leerlingen. Nog wat cijfers uit dit onderzoek: 40 % maakt zich echter wel grote zorgen over het smartphonegebruik door leerlingen en 53 % maakt zich enigszins zorgen over het smartphonegebruik door leerlingen. 75% denkt dat gebruik van sociale media het concentratievermogen aantast en 54 % ergert zich aan het smartphonegebruik door hun leerlingen. Twee derde van de docenten (63%) weet wat de schoolregels omtrent smartphonegebruik onder leerlingen zijn en 23% niet. Tevens geeft iets meer dan de helft (54%) aan dat veel leerlingen zich verzetten tegen de betreffende regels en geeft ongeveer een derde (31%) aan dat veel docenten op hun school de regels omtrent smartphonegebruik aan hun laars lappen. Volgens een op de vijf docenten (20%) leidt de inname van smartphones dan ook nog eens vaak tot boze ouders. (Bron: COS)
Het overgrote deel van de docenten maakt zich dus wel zorgen over het telefoongebruik van middelbare scholieren. Zij merken dat leerlingen snel zijn afgeleid, ze kunnen zich minder goed concentreren en hebben meer tijd nodig voor hun huiswerk. Bovendien halen ze slechte cijfers en stijgt het aantal zittenblijvers. (Bron: Trouw) Maar het heeft alles te maken met opvoeding of mediawijsheid. Vives publiceerde onlangs een artikel waarin je met een paar simpele apps deze stoorzender in een behulpzame onderwijstool verandert.

Een minder goede concentratie bij studenten merkt ook Paul Kirschner, hoogleraar onderwijspsychologie aan de Open Universiteit op. "De huidige generatie studenten kan zo snel typen dat ze wat gezegd wordt bijna letterlijk overschrijven", stelt Kirschner. "Maar zo gaat informatie het ene oor in en weer tien vingers uit. Je hersenen verwerken het niet." Je kunt dan ook stellen dat als je met jouw laptop de collegezaal ingaat, je lagere cijfers haalt. Wie schrijft daarentegen, maakt een motorisch geheugenspoor waardoor een uitgebreider patroon van hersenactiviteit kan plaatsvinden. Kirschner verwijst naar meerdere onderzoeken waaruit blijkt dat studenten die met de laptop aantekeningen maken flink lager scoren bij tentamens dan degenen die dat met de hand doen.
Susan Ravizza bekeek het internetgebruik van studenten en concludeerde dat de betrokkenheid veelal uit ging naar sociale media, YouTube, e-mail, shoppen, chatten, nieuwssites en spelletjes. Door deze afleiding, die ze zelf opzoeken, zijn de leerlingen gemiddeld meer dan 40% van de tijd er met hun hoofd niet bij, met slechte leerresultaten als gevolg. (Bron: Scientific American, 2017) Uit onderzoek bleek verder dat ook andere leerlingen die dit gedrag zagen vervolgens slechter presteerden. (Bron: Didactiefonline) Kirschner introduceert in zijn column daarom de slogan “laptop: het nieuwe meeroken”.

Vrije scholen
Okay, de pedagogiek van de vrije scholen heeft dus met terugwerkende kracht haar gelijk gekregen en dan hebben we het nog niet eens gehad over de gameboyrug en tabletnek… Het is alleen jammer dat dit gelijk zonder vergaande digitale ervaringen op de vrije scholen zelf is verkregen. Het feit dat er allerhande maatschappelijke problemen ontstaan ten gevolge van foutief tablet- of mobiel gebruik ontdoet je namelijk niet van de plicht om - zoals Van Ast hierboven al suggereerde - de leerlingen te begeleiden (samen met ouders) in het omgaan hiermee. Juist de nadruk op positief gebruik door het doelbewust als een middel in te zetten zou belangrijk kunnen zijn.
Wat zegt Steiner hier over? “Steiner waarschuwde herhaaldelijk op krachtige wijze voor de neiging om zich af te willen sluiten voor technologie en het moderne bestaan, Steiner stelt dat de mens juist in contact met technologie en met beide voeten in het moderne bestaan zich innerlijk genoeg weerbaar dient te maken en positieve zielenkrachten ontwikkelen.” (te lezen in: Inspiratieboekje over mediapedagogiek of digitale geletterdheid)
Maar hoe leren we de jongeren deze middelen dan positief in te zetten? Natuurlijk het liefst door in het voortgezet onderwijs mediawijsheid te integreren in alle vakken. Door de vruchten te plukken en de negatieve gevolgen van nieuwe technologie tegen te gaan (en ook ervaring met ict op te doen) kun je jezelf in je lessen beter verhouden tot ict. Ict-bekwaamheid bij docenten is dus zeker een voorwaarde om goede leerlijnen ict vast te stellen. Een werkgroep van het Steinercollege in Haarlem stelde het in 2013 als volgt: “De werkgroep zou het betreuren als de ict-middelen-inzet eigenlijk een didactisch onvermogen aan het licht zouden brengen van de docent in kwestie; laten we hopen dat elke op deze school werkzame docent deze middelen bewust en overdacht inzet.”

Soms overvalt mij dan ook een bepaalde moedeloosheid als er weer eens op een van de vrije scholen een groep wordt opgestart die gaat nadenken over ict of mobieltjes. We weten en wisten welke gevaren er aan de ongebreidelde toepassing van ict kleven, dat kunnen we niet eindeloos blijven onderzoeken. Belangrijker is steeds: wat nu? Helemaal weren zoals in Frankrijk? Ook geen tablets of laptops? Net doen of het niet bestaat?
De vrije scholen worstelen er al jaren mee om ict en digitale geletterdheid in de onderwijsvisie en de leerlijnen te integreren. Niet dat het regulier onderwijs nu alles zo goed op orde heeft, dat zeker niet. De voorlopers maken nu ook daar vaak pas op de plaats en komen soms zelfs in de problemen. Wetenschappelijk onderzoek heeft ook nog steeds geen significant resultaat van investeringen in ict laten zien.
Wij kunnen ook leren van de ontwikkelingen die zich voordoen in bijvoorbeeld Silicon Valley, zoals in een uitzending van Brandpunt van 13 februari werd getoond. Daarin zie je de in de kop geciteerde Rebecca Altamirano en haar man Antonio die een innovatiebedrijf in Silicon Valley hebben. Ze ontwikkelen apps en helpen bedrijven bij digitale vernieuwing. Juist zij hebben besloten hun vier kinderen schermvrij en low tech op te voeden en naar een vrije school te sturen. Wat zien deze ouders en hoe verhoudt zich dat tot onze (media)pedagogiek is daarbij een belangrijke vraag?
Digitale geletterdheid, ik noemde het zo even, is een onderdeel van de zogenoemde 21st century skills. Eerder blogde ik al dat er eigenlijk voor het vrije school onderwijs eigenlijk niets nieuw is aan de zogenaamde 21ste eeuwse vaardigheden: “Nou echt ‘nieuw’ (voor de meesten van ons) zijn in elk geval de digitale vaardigheden. Niels Schieman, schoolleider van een vrije school in het primair onderwijs is het hierin met mij eens. “Echt nieuw is de positie en invloed van digitalisering en de toegankelijkheid van informatie. Daar op een zinvolle, slimme en gezonde manier mee omgaan vraagt nieuwe vaardigheden, niet alleen van de leerlingen, maar ook van de leerkrachten.“ (Bron: Vrijescholen.nl)
Wat wij op de Vrije Scholen nu vooral nodig hebben is naast een theoretisch kader ook ‘schoolvoorbeelden’ en good practices van een aantal digitale pioniers. Van daaruit kunnen we kijken of sommige digitale toepassingen werken en hoe we dit kunnen inpassen in onze leerlijnen. En ook: hoe verhoudt zich dat tot de antroposofische pedagogiek? Daarvoor heb je ict-bekwame docenten en ook betrokken ouders nodig.



David Mitchel van de Association of Waldorf Schools of North America hierover: “Lessons at the computer do not help in the lower school years. The anthropological conditions for understanding computer technology appropriately are not given until upper school. The first steps include text processing, use of the keyboard, Cartesian geometry and Euclidian proofs. An old computer is taken apart, investigated. Strip boards and electrical circuits are studies and simple programmes written. At the same time the pupils learn Boolean algebra, logic and coding. Science lessons include robotics, the use of microscopes in biology and creating complex databases in economics. Computers are tools.” (Bron: Erziehungskunst.de)



De Association of Waldorf Schools of North America hierover: “Computers and digital technology are not part of the early grades curriculum, although mechanical technology and the practical arts are incorporated at all levels. In high school, computers and digital aids are used in the classroom as teaching tools across disciplines, and computer-specific courses may be taught. All high school students utilize computers and digital equipment at home for research, to aid in their schoolwork and for in-class or school-wide presentations.”

De vrije school in Philadelphia stelt het nog wat stricter: “Waldorf high school, and some middle school, students use technology as a teaching tool, but it has no place in the Waldorf elementary and early childhood education. For children under the age of twelve, the focus remains on hands-on learning of core subjects along with music training, play, outdoor education, cursive handwriting, storytelling, and art.”

Auch aus diesem Grund ist es wichtig, dass Kinder zuerst lernen, mit den klassischen Medienträgern umzugehen: Papier und Buch. Darüber hinaus zeigt sich in der bisherigen Praxis, dass es pädagogisch keinen echten Sinn macht, vor dem 12. Lebensjahr Computer im Unterricht einzusetzen. In der 7. oder 8. Klasse sollten die Schüler, zumindest solange Computer noch mit Tastaturen bedient werden, die Fähigkeit entwickeln, mit zehn Fingern blind auf einer Tastatur zu schreiben. (Bron: Waldorfschule.de)



De Nederlandse vrijescholen lijken meer open te staan voor nieuwe ontwikkelingen, waarbij iedere school zelf de keuze maakt hoe er wordt omgegaan met technologie en digitalisering. In 2015 werd op een Conferentie over vrijeschoolse mediapedagogiek een inspiratieboekje van de hand van Freek Zwanenberg gepubliceerd. Hierin lezen we (over leerlingen tot groep 7): “De beschreven nadelige effecten van media gelden bovendien niet per se voor elk kind, en gaan vaak over een overdreven intensief gebruik. Bij vrijeschoolkinderen, wiens ouders vaak al behoorlijk bewust met dingen omgaan, valt dan ook te verwachten dat de meesten in principe geen blijvende schade ondervinden van hun mediagebruik. Bovendien, kinderen van nu zijn niet voor niks in deze tijd geboren; zij groeien op in verschillende werelden: fysieke wereld, geestelijke wereld, virtuele wereld. Het leren werken met hedendaagse instrumenten, ook de digitale en virtuele, zou een logisch onderdeel van hun opvoeding moeten zijn.”
Onder #vrijeschoolonderwijs2032 worden vijf essentiële aspecten voor de toekomst genoemd waaronder maatwerk bieden voor digitalisering. “Waar staat digitalisering ten dienste van de persoonlijke ontwikkeling (maatwerk) en waar is de menselijke ontmoeting noodzakelijk om enthousiast te worden en verbindingen te kunnen leggen die van essentieel belang zijn in de veranderende samenleving? Digitalisering als middel om kennis te vergaren. Voor de toepassing, het combineren, de ervaring, het voorbeeld, het streven naar ontwikkeling is de leerkracht onontbeerlijk.”

Wat kunnen leerkrachten van de onderbouw nu concreet in de klas doen, vraagt Zwanenberg zich af. Daarover gaat hoofdstuk drie van het boven al genoemde inspiratieboekje. Er wordt hier gesteld: “Iedereen is het er over eens dat ICT geen doel maar een middel is. Een middel dat het onderwijs in de klas mogelijk zou kunnen versterken. Bijvoorbeeld door aan te sluiten bij de interesses van de leerlingen. Of doordat het kan ondersteunen bij het gedifferentieerd en gepersonaliseerd leren. Het is zaak steeds te blijven kijken in hoeverre digitale middelen een meerwaarde hebben en kunnen bijdragen aan het behalen van de doelen. En hoe dat zich verhoudt tot de eventuele nadelen van het werken ermee. Er is een stijgend aantal digitale leermiddelen dat ook voor vrijescholen interessant kan zijn.”
Als digitale leermiddelen worden dan genoemd het gebruik van een digibord of touchscreen in één lokaal (niet standaard), ict om te differentiëren, zelf foto’s en filmpjes laten maken en die te bespreken, quizzen en gamen (bedoeld worden educatieve games), de maker beweging (de Arduino wordt genoemd), de Webquest (ik zou daar Wikiwijs Maken aan toe willen voegen) en coderen. Bij de webquest wordt dan specifiek genoemd dat het meer kennisontwikkeling inhoudt en minder kennisoverdracht.
Op de Vrije School Den Haag wordt in klas 5 en 6 al een leerlijn mediawijsheid ingezet. In deze leerlijn komen onderwerpen aan bod als (verholen) Reclame, WWat is Waar? Gaming, Sexualisering, Omgangsvormen op & veilig gebruik van sociale media, en Cyberpesten.
Het stemt mij hoopvol dat er genoeg aanknopingspunten blijken te zijn om ict ook in ons onderwijs te integreren. Differentiëren is sowieso een belangrijk thema, waar ict ons zeker behulpzaam kan zijn. De makerbeweging sluit ook goed aan bij ons onderwijs en de webquest of Wikiwijs maken heeft zijn succes op onze school al enkele malen bewezen. Grootste probleem is m.i. toch de ict-bekwaamheid van docenten. Wij hebben daardoor weinig positieve ervaringen en good practices en dat heb je wel nodig om een kantelpunt te bereiken.

De toekomst
Bij digitale geletterdheid wordt voor het Nederlandse onderwijs uitgegaan van ICT-(basis)vaardigheden, mediawijsheid, informatievaardigheden en computational thinking. Deze vaardigheden heb je volgens de overheid nodig om goed te functioneren in de maatschappij, zowel in een leer- als in een werkomgeving. Het gaat daarbij om de samenhang tussen die vier vaardigheden. Omdat het echter geen verplicht onderdeel van het curriculum is is dit vaak afhankelijk van de interesse en inzet van afzonderlijke leraren, of van de incidentele bevlogenheid van een schoolleider of schoolbestuurder. Er gebeurt overal nog veel ad hoc. Leerlingen digitaal geletterd maken lukt niet met een of twee lesuren per week. Je hebt het nodig in alle vakken en in allerlei leersituaties.
Gelukkig zijn er aanzetten om deze situatie te veranderen. De verwachting is dat ict in 2021 in de eindtermen en kerndoelen is opgenomen. Voor het ontwikkelen van een duidelijke visie op de scholen is het Handboek Digitale Geletterdheid beschikbaar. (Bron: Kennisnet) Hiermee zullen wij de komende tijd aan de slag moeten.

Ict en onderwijs blijft sowieso een moeilijke combinatie, ook voor reguliere scholen. De onderwijsraad stelt in Doordacht Digitaal, een advies uit mei 2017: “De variatie in onderwijsdoelen zorgt voor grote variatie in leeropbrengsten bij leerlingen en studenten. In internationaal vergelijkend onderzoek is de digitale geletterdheid van jongeren gemeten via een toets met vier referentieniveaus. In de meeste landen, en dit geldt ook voor Nederland, komt het merendeel (twee derde of meer) van de veertien- en vijftienjarigen niet verder dan het basisniveau. In Nederland haalt 8% van de leerlingen niet eens het laagste referentieniveau. Slechts 4% haalt het hoogste niveau.In het algemeen zijn de ict-kwaliteiten van leerlingen en studenten eenzijdig en oppervlakkig. it hangt samen met het ict-gebruik, dat voornamelijk gericht is op sociale en recreatieve doelen en weinig op onderwijsdoelen.Waar het ict-gebruik wel gericht is op onderwijsdoelen, ligt de focus bij het gebruiken en presenteren van informatie en veel minder bij het selecteren, bewerken en transformeren van informatie.”

Hoe ga je als vrijeschool om met ict en digitale geletterdheid? Schoolleider Nadia Demaret van Vrijeschool Widar in Delft diende hiervoor een versnellingsvraag in. De doelstelling is leerlingen veilig, vaardig, aardig en waardig om te leren gaan met ict. “Door inzicht te geven in de achterliggende principes, hopen we vaardigheden en creativiteit bij leerlingen te stimuleren.”, zo legt de schoolleider uit aan Kennisnet. “Dat ze niet alleen consumerend, maar ook creërend met technologie aan de slag gaan. Dan ga je technologie begrijpen. Als een leerling dat begrip niet ontwikkelt, is de verleiding groot alleen te consumeren, met als gevolg dat technologie al heel snel de leerling consumeert.” Wij zien het als onze pedagogische opdracht om kinderen veilig, vaardig, aardig en waardig om te leren gaan met ict. Devices zijn daarbij een middel en niet een doel op zich. Bij veel leerdoelen zijn beeldschermen niet eens direct nodig. Liever laten we de kinderen eerst de principes erachter ontdekken. Er staan veel inspirerende unplugged voorbeelden op websites als Computer Science Unplugged, zoals op csunplugged.org en csunplugged.nl.” (Bron: Kennisnet) Doordacht Digitaal hierover: “Onderwijs kan alleen bijdragen aan de voorbereiding op een digitale samenleving als binnen het onderwijs daadwerkelijk gebruik gemaakt wordt van digitale toepassingen. Deels kunnen principes van programmeren bijvoorbeeld nog worden uitgelegd met fysieke lego-steentjes, maar zoals voor het behalen van een zwemdiploma niet alleen kan worden volstaan met droogzwemmen, kan digitale geletterdheid niet worden gerealiseerd zonder daadwerkelijke inzet van ict-toepassingen.”

Wij moeten - zeker nu ict in de eindtermen en kerndoelen wordt opgenomen - aan de slag. Tot slot wil ik U dit filmpje van de geschiedenis van de digitale didactiek niet onthouden:



“Ook denk ik dat Vrijeschool Zutphen voor de toekomst een duidelijker beeld en idee over ict kan gaan creëren. Wat ik de afgelopen jaren heb gemerkt, is dat het kunnen gebruik maken van een laptop of computer op Vrijeschool Zutphen erg lastig is.” “ik bedoel hiermee niet dat Vrijeschool Zutphen een digitale school moet worden vol met digiborden en laptops. Het moet niet de leidraad worden van onze school. Wel denk ik dat we als school mee moeten gaan met de tijd. We leven in de 21ste eeuw en het gebruik van internet kan voor efficiëntie zorgen in het dagelijks leven.”
Uit een eindwerkstuk van leerling getiteld: De Vrijeschool, op weg naar de toekomst.

Zie ook: Vrije scholen en ict ; Computer verbetert schoolprestaties niet ; Digitale tools als werkvorm en Mediaopvoeding vanuit het perspectief van de vrijeschool

vrijdag 22 december 2017

Bekijk het van alle kanten

Loop er met aandacht omheen, bekijk het van alle kanten, maar stap er niet in. Behandel het kortom als een enorme kwal op het strand
Ernst Kossmann over het vraagstuk van de nationale identiteit

Wat is er toch aan de hand in ons land? De Nederlandse driekleur pronkt sind kort fier in de Tweede Kamer en leerkracht Mink de Vries van het Agnietencollege in Nieuwleusen wil leerlingen door middel van het Wilhelmus “trotser en zelfbewuster” in het leven laten staan. (Bron: De Stentor, 24-10-2017) Blijkbaar mankeert er dus iets aan onze nationale trots en ons zelfbewustzijn?
Het is ook geen geheim dat bijvoorbeeld CDA-leider Sybrand Buma al langer wil dat schoolkinderen verplicht worden om staand het Wilhelmus te zingen maar dat voorstel haalt het (voorlopig) nog niet. In plaats daarvan komen er onder het nieuwe kabinet wel verplichte lessen over het Wilhelmus als onderdeel van het ontwikkelen van een Nederlandse identiteit. En daar hebben we het dan, het gaat over onze Nederlandse identiteit. We moeten dus trots zijn of worden op Nederland! En dat gaan we doen door onder meer aandacht te besteden aan ons volkslied.

Scholen gaan dus les geven over het Wilhelmus, 'inclusief de historische context ervan'. Eerder genoemde leerkracht De Vries is er - zo blijkt - in elk geval klaar voor. Verder moet volgens het nieuwe kabinet iedere leerling in zijn schooltijd een keer naar het Rijksmuseum en naar 'ons parlement'. Volgens Minister Van Engelshoven van Cultuur hoeft dit echter ook weer niet zo letterlijk te worden opgevat. ‘Ik zeg hier nadrukkelijk dat scholen vrij zijn om op dat aanbod in te gaan. Het is geen verplichting, maar een mogelijkheid’, zo citeert de NOS haar. Scholen mogen trouwens ook naar andere musea en hoeven dus niet perse naar het Rijksmuseum. En ook met de komst naar het Binnenhof zal het niet zo’n vaart lopen. ProDemos organiseert de rondleidingen waarbij kinderen een kijkje krijgen in de Eerste en Tweede Kamer en met een beetje geluk een minister kunnen spreken. Dit jaar zal de organisatie zo’n 92.000 kinderen uit het hele land rondleiden over het Binnenhof. Als straks alle schoolkinderen een keer een bezoek brengen, betekent dat een verdubbeling van het aantal kinderen, dus ook dit voornemen vergt ook nog wel enige organisatie. (Bron: RTLnieuws)
Het is ook nog de vraag hoe de burgerschapsvorming in het curriculum wordt ingevuld. Het nieuwe kabinet trekt 80 miljoen euro extra uit voor activiteiten in het kader van cultuur (- en historisch democratisch bewustzijn). Opvallend genoeg worden die plannen in het akkoord niet onder de onderwijs- maar onder de cultuurparagraaf geschaard. (Bron: Scienceguide)

De scholen moeten hun leerlingen in elk geval op een positieve manier gaan bijspijkeren over de Nederlandse identiteit, dat is het idee. En hier begeven we ons op glad ijs, want wat is nou eigenlijk die Nederlandse identiteit in een tijd van verregaande globalisering? Kennis van de eigen geschiedenis is cruciaal, maar mag er dan ook kritisch naar die eigen geschiedenis worden gekeken?
De kennis van de Nederlandse geschiedenis en het Wilhelmus bieden volgens partijleider Buma houvast in verwarrende tijden. Ik hoop trouwens niet dat die verwarrende tijden in de ogen van Buma te maken hebben met de instroom van migranten die onze Nederlandse identiteit zouden kunnen bedreigen, maar het zou zomaar kunnen. In het regeerakkoord staat verder dat er meer geld besteed moet worden voor het uitdragen van de Nederlandse volkscultuur. In een artikel van de NOS stelt Hoogleraar volkscultuur Gerard Rooijakkers dat dat alleen een goed idee is als naast de klompenmaker en oud-Hollandse klederdracht ook de contributies van migranten aan onze samenleving worden meegenomen. Onze nationale identiteit is aan het veranderen. Leuk of niet, het is een feit.

In het Openluchtmuseum Arnhem staat daarom de hele Nederlandse geschiedenis centraal. Je vindt hier de zogenaamde Canon-presentatie, waarin bezoekers een reis maken door de vaderlandse geschiedenis. Volgens directeur Willem van Bijleveld van het Openluchtmuseum gaat het hier niet om het 'vangen' van de Nederlandse identiteit. Dat is volgens hem onmogelijk. "Identiteit verschuift steeds en dat proberen we hier juist te laten zien." Juist daarom is in het museum steeds meer te zien van de multiculturele samenleving als onderdeel van Nederlandse tradities. Zo is er in de canon ook een Nederlandse Koran opgenomen. Schoolklassen die het Openluchtmuseum in december bezoeken krijgen daar niet alleen meer te weten over Sinterklaas, maar ook over het Suikerfeest en de Ramadan. Dat lijkt me een heel goed initiatief en ook een heel interessant alternatief voor het Rijksmuseum. (Bron: NOS)

Maar goed, het Wilhelmus dan. Het Wilhelmus is rond 1570 als geuzenlied geschreven door vermoedelijk Marnix van St. Aldegonde, maar daarover bestaat nog steeds discussie. Zelfs met hulp van de computer is gezocht naar de auteur. Het werd pas in 1932 het Nederlandse volkslied. Voor die tijd was Wien Neêrlands bloed het volkslied. Het was lang gewoon dat kinderen op school het Wilhelmus leerden zingen en uitleg kregen over de tekst. "Het gebeurt op een aantal scholen ook nog steeds'', zegt een woordvoerder van de Vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs Verus. Verus vertegenwoordigt meer dan de helft van alle basisscholen in het land. Uit een onderzoek op christelijke scholen bleek enkele jaren geleden dat 89 procent van de scholen vindt dat kinderen het Wilhelmus moeten kennen als ze naar het middelbaar onderwijs gaan. De tekst is volgens de meesten ook prima. (Bron: Nationale Onderwijsgids)
Dat was echter niet altijd zo. Er ontstond al commotie volgens historicus Paul van der Steen in het boek Ware grootheid, Schamele kleinte nadat het Wilhelmus was aangenomen als het officiële volkslied. Vanuit het onderwijs kwamen bezwaren. Kinderen konden de tekst van het lied wel instuderen, begrijpen deden ze het niet. Een deel van de katholieke pers had bezwaren tegen het lied en sprak van ‘verkapt Geuzenonderwijs’ doelend op het antipapisme: “Het Wilhelmus is een doelbewuste leugen en daarom dient het op onze scholen geweerd te worden, ook als ons volkslied. Zoolang wij geen beter volkslied hebben, zullen we er geen zingen.” En ook socialisten, veelal antimonarchisten, moesten aanvankelijk niets van het Wilhelmus hebben. Volgens Van der Steen zorgde de Tweede Wereldoorlog er uiteindelijk voor dat de discussies over de nationale symbolen werden gesmoord. (Bron: Historiek.net en Trouw)
Histoforum heeft een opdracht over deze interessante periode van de invoering van het Wilhelmus. Ook op Schooltv vind je hier en hier materiaal om in de klas te gebruiken en met hulp van de Zangexpres kun je trouwens prachtig oefenen in het zingen van onze nationale hymne.

Het oudste en mooiste volkslied ter wereld is de titel van een uitgave uit 2012 van de hand van Dolf Lok. In onze Mediatheek staat dit boek al enkele jaren in de kast te pronken. Voelden wij de tijdsgeest aan? De auteur in elk geval wel, kunnen we nu met terugwerkende kracht zeggen. In een reeks van korte hoofdstukken worden in deze uitgave allerlei aspecten van het Wilhelmus aan de orde gesteld, wordt de historische situatie behandeld waarbinnen het lied is ontstaan en worden ook opbouw en structuur van het lied besproken.
In de prachtige serie Tekst in context is ook nog uitgegeven Wilhelmus en de anderen Nederlandse liedjes 1500-1700. In 21 liedjes, door Camerata Trajectina opgenomen op CD, maakt de leerling kennis met de Nederlandse cultuur van de zestiende en zeventiende eeuw. Het boek heeft zes thema’s in even zoveel hoofdstukken: oorlog, zeemansleven, religie, liefde, maatschappijkritiek en feestcultuur. Tekst, beeld en geluid brengen de veelzijdige periode tot leven, bijvoorbeeld via het oorlogsgeweld in het Wilhelmus.

De meeste leerlingen in het voortgezet onderwijs zitten in tegenstelling tot het nieuwe kabinet trouwens echt niet te wachten op lessen over het Wilhelmus. Dat blijkt uit een enquête in opdracht van de jongerenwebsite scholieren.com. Ruim 70 procent van de respondenten zegt het volkslied al te kennen. Bijna 20 procent geeft aan het niet mee te kunnen zingen. Op de vraag of lessen over het volkslied een goed idee zijn, antwoorden drie op de tien leerlingen positief. De helft vindt het geen goed idee en geeft aan tijdens eventuele Wilhelmuslessen expres niet te gaan opletten.



Ik zou ook nog om heel andere redenen voor minder enthousiasme willen pleiten. Pas op voor een te grote nostalgische opvatting van de geschiedenis. Iedereen zou toch moeten aanvoelen dat er ondertussen een andere wind waait. Juist nu staan eindelijk veel van onze “historische helden” ter discussie. Voor diegenen onder ons die Roofstaat van Ewald Vanvugt hebben gelezen en een breder historisch besef hebben moet het toch wel heel jammerlijk zijn dat in de onderhandelingen D66 bakzeil heeft gehaald. Deze partij had de wens om schoolkinderen ook onderricht te geven in de wat minder glorieuze aspecten van de geschiedenis die tot op de dag vandaag van invloed zijn op de ‘nationale identiteit’: slavernij en kolonialisme. (Bron: Joop) Gelukkig kunnen we ondertussen toch ook al wel (les)materiaal vinden met een meer kritische insteek, zoals bijvoorbeeld Was Michiel de Ruyter een zeeheld of zeerover? Juist nu moeten we dus geen stap terug gaan zetten naar nationale trots en zelfbewustzijn gevoed door nostalgie.
Of het nu wel of niet over het voeden van een Nederlandse identiteit gaat, historisch besef is voor jongeren cruciaal. Wat heeft het lezen van veel literatuur zin als je je geen enkel beeld van de tijd kunt vormen? Wij zijn trouwens niet het enige land waar jongeren geen enkel historisch besef meer hebben. In 2009 kwam naar aanleiding van een enquête onder 2000 Britse kinderen van 9 tot 15 jaar over de Tweede Wereldoorlog in het nieuws dat 1 op de 20 Britse kinderen denkt dat Hitler bondscoach van het Duitse voetbalelftal was en dat de Holocaust een soort bevrijdingsdag is. De partijen in Nederland zouden jongeren bij hun achttiende verjaardag een algemeen boek willen geven over de vaderlandse geschiedenis, schreef Historiek in september. Lijkt me een goed idee mits er in de uitgave cruciale zaken ter discussie mogen worden gesteld.

Er is trouwens volop lesmateriaal voorradig om ook op school al aandacht te besteden aan de schatten van het Rijksmuseum. Je kunt hiervoor materiaal gebruiken van het Google Cultural Institute. Er is lesmateriaal voor het het Primair Onderwijs en het Voortgezet Onderwijs en ook Schooltv heeft prachtig materiaal voor het digibord. Voor het mbo kun je hier een quest en les downloaden over Toppers van de Gouden Eeuw. Er is ook een quest over eetpatronen in de Gouden Eeuw.
Als je met je leerlingen uiteindelijk het Rijksmuseum bezoekt kun je gebruik maken van de Snapguide op de smartphones van de leerlingen. Ronnie Flex, Mertabi, Teske de Schepper, Jiami Jongejan en Defano Holwijn geven vanaf 5 april rondleidingen in het Rijksmuseum met SnapGuide. SnapGuide is een splinternieuwe gratis onderwijstool die alleen werkt op een smartphone voor leerlingen uit het Voortgezet Onderwijs. Zij leren over de Gouden Eeuw door ‘Snaps’ en ‘challenges’ van de populaire YouTubers en artiesten.



Ook is er genoeg te vinden over onze historische canon. Entoen.nu biedt materiaal en op Yurls.net zijn er wel wat voorbeelden te vinden van hele goede overzichten. Het Klokhuis biedt ook een mooi overzicht en de Canon van Nederland biedt aan de hand van topstukken van verschillende musea een goed in de les te gebruiken overzicht.

Kennis van de geschiedenis is cruciaal en we kunnen alleen maar blij zijn dat dit kabinet juist daar prioriteiten stelt, maar om dat in het kader van nationale identiteit te gieten is om met Kossmann te spreken: “stap er niet in”.

woensdag 25 oktober 2017

Digitale tools als werkvorm

Je hoort bij ons op school nogal eens docenten verzuchten: ik zou best wel eens een digitale tool willen toepassen in mijn les, maar hoe? En welke? Gelukkig komen er steeds meer plaatsen op het internet waar je werkvormen met digitale tools kunt vinden. Deze blogpost richt zich dan ook op docenten die graag hun didactiek willen verrijken met dergelijke digitale instrumenten, maar die het niet altijd even makkelijk vinden om daarmee aan de slag te gaan. Er wordt - als we het over digitale werkvormen en -vaardigheden hebben - vaak een koppeling gemaakt met de 21st century skills. 
Over welke vaardigheden hebben we het dan eigenlijk? SLO (Kennisnet) heeft hierover een themasite ingericht: Het curriculum van de toekomst. Hieronder een schematisch overzicht.




Het betreft - zoals je kunt zien - generieke vaardigheden als samenwerken en probleemoplossen en daaraan te koppelen kennis, inzicht en houdingen die nodig zijn om te functioneren in en bij te dragen aan de toekomstige samenleving. Let hierbij op het woord toekomstig. Patrick KonIng haalt in zijn boek #Mediawijsheid in de klas: samen aan de slag (voormalig) minister Jet Bussemaker aan. Zij stelt dat deze tijd een andere grondhouding vraagt: het gaat erom dat je leert jezelf steeds aan te passen aan veranderende (dus toekomstige) situaties. Om dit aanpassingsvermogen handen en voeten te geven, is het begrip 21ste eeuwse vaardigheden ontwikkeld. (Zie ook: Die goede oude tijd)
Over het belang van aandacht voor die vaardigheden lijkt brede overeenstemming te bestaan. Om leerlingen goed voor te bereiden op de 21ste eeuwse samenleving wordt het belangrijk gevonden de vaardigheden ook een plek te geven in het onderwijs. What’s new aan die vaardigheden, zou je zeggen, dat doe ik al jaren. Nou “nieuw” (voor de meesten van ons in het onderwijs) zijn in elk geval de digitale vaardigheden. De term die hiervoor gebruikt wordt is ‘digitale geletterdheid’. Digitale geletterdheid bestaat uit ICT-(basis)vaardigheden, mediawijsheid, informatievaardigheden en computational thinking. Waarbij computional thinking wordt opgevat als het zodanig (her)formuleren van problemen dat ze met computertechnologie op te lossen zijn. (bron SLO)
SLO heeft verschillende pagina’s waar zij per onderdeel van digitale geletterdheid het leerplankader aangeven. Bij computional thinking gaat dat vrij ver. Behalve algemene vaardigheden als probleem oplossen, zien we hier: “Kan informatie weergeven in relevante grafieken, tabellen, woorden en plaatjes”, maar ook “Kan een computerprogramma schrijven in code”. Dat laatste is zeker voor onze school nog onontgonnen terrein. Bekijk om je hierop verder te oriënteren eens de leerlijn Programmeren voor het basisonderwijs van Wikiwijs. Voor het voortgezet onderwijs is een dergelijke leerlijn er nog niet. In genoemde leerlijn wordt ook verwezen naar een (gratis) online workshop van Kennisnet speciaal ontwikkeld voor leraren getiteld computational thinking. Hierin wordt uitgelegd wat computational thinking is en wat het belang is voor het onderwijs. Specifiek voor het basisonderwijs is er Digileerkracht, een gratis scholing- en supportprogramma op het gebied van computational thinking voor 2000 basisschoolleerkrachten.

Ook kun je bij Kennisnet terecht voor online workshops mediawijsheid en informatievaardigheden. De eerder aangehaalde uitgave #Mediawijsheid in de klas (aanwezig in de Mediatheek) bevat een complete methode mediawijsheid met kant-en-klare opdrachten. Ontdekmedia - waarop ik later nog terugkom - heeft een complete leerlijn Mediawijsheid voor het basisonderwijs ontwikkeld. 
In 2011 heeft een projectgroep antwoord gegeven op de vraag ‘Wat is mediawijsheid en op welke wijze kan gemeten worden hoe mediawijs iemand is?’. Deze projectgroep heeft het startdocument ‘Meten van Mediawijsheid’ opgeleverd. Hierdoor is mediawijsheid meetbaar geworden. Met het ontwikkelde competentiemodel is een verdere versimpeling van de definitie aangebracht tot een model bestaande uit 10 competenties die elk zijn uitgewerkt in 5 algemene niveaus.

In september 2015 ging het Nationaal Media Paspoort van start als de eerste, wetenschappelijk onderbouwde doorlopende leerlijn mediawijsheid/media-empowerment voor het basisonderwijs in Nederland en Vlaanderen. Op veler verzoek is er nu ook een versie van het programma ontwikkeld voor het Voortgezet Onderwijs en zelfs het (V)MBO.
Het Nationaal Media Paspoort voor het Voortgezet Onderwijs bestaat uit 7 lessen of activiteiten, die tussen de 40 en 140 minuten in beslag nemen en dus in een of meerdere lessen behandeld kunnen worden. De 7 thema’s van het programma zijn:

1.Weet wat je ziet
2.Bewaak je identiteit
3.Wat je geeft krijg je terug
4.Houd de klok in de gaten
5.Maak goede keuzes
6.Bescherm je privacy
7.Zorg voor je eigen veiligheid

Bij elke activiteit wordt aangegeven welke VO kerndoelen worden nagestreefd, maar ook welke 21ste eeuwse vaardigheden worden ontwikkeld en welke werkvormen uit het eindadvies Onderwijs 2032 worden toegepast. Het materiaal voor de onderbouw VO, bovenbouw VO en VMBO van het Nationaal Media Paspoort is gratis te downloaden.

Aanvankelijk was de gedachte dat digitale geletterdheid geheel moest worden ondergebracht bij de bestaande vakken. Intussen heerst - volgens SLO - de opvatting dat er ook een deel apart wordt aangeboden. Te denken valt aan aparte lessen mediawijsheid, informatievaardigheden en projectmatig 3D printen bijvoorbeeld. (SLO Context VO, september 2017 (Mediatheek), maar je zou dit ook evengoed in bestaande lessen kunnen inpassen. 
Het SLO heeft momenteel een leerlijn digitale geletterdheid afgerond. Die is op aanvraag beschikbaar via digitalegeletterdheid@slo.nl.

Maar nu praktisch. Bij de site LerenDoenMaken draait alles om maken met behulp van ICT. Een animatie, een tijdschrift, een computerprogramma, het kan van alles zijn. En dat is niet alleen heel erg leuk, maar door het maken van deze producten werk je aan de 21ste eeuwse vaardigheden die belangrijk zijn voor de burger en werknemer van de toekomst. Het platform richt zich op de basisschoolleerling en de leerlingen in de onderbouw van het VO. Het geheel is zo opgebouwd en vormgegeven dat de regie bij de leerlingen ligt. Zij kiezen en maken de opdrachten zelf. Maar dit zou natuurlijk ook door een docent kunnen worden geïnitieerd.
Je kunt op de site een werkvorm (specialisme) aanklikken als bijvoorbeeld Architect/ontwerper en kiest vervolgens een opdracht. De leerling krijgt per opdracht te zien wat hij of zij moet gaan maken en met welke digitale tools dit zou kunnen. Een bijbehorend instructiefilmpje is dan te raadplegen. Als je uiteindelijk de opdrachten via de site wil doen, moet je je wel als school registreren. maar ook zonder registratie kun je wel gebruik maken van de uitleg bij de opdrachten en tools. Het zal je sowieso op ideeën brengen. (Kijk hiervoor ook in COS april 2017 (Mediatheek)

Ook de Reisgidsdigitaalleermateriaal helpt je gratis op weg om via de beoogde leeractiviteiten digitale werkvormen te zoeken. De Stichting Reisgids Digitaal Leermateriaal maakt de site en is een particulier initiatief ter bevordering van het gebruik van digitaal lesmateriaal in het onderwijs. Je kunt ook hier digitale tools (met uitleg) vinden. Deze website is een aanvulling op het boek: De Reisgids Digitaal Leermateriaal (hier te downloaden). Op de website vind je alle content digitaal, gelinkt aan bronnen, werkvormen, tools en rolmodellen. De rolmodellen geven je tips en laten zien wat wel en niet werkt in de klas.
Ook handig is de uitgave BoekTweePuntNul (aanwezig in de Mediatheek). BoekTweePuntNul legt 172 web 2.0-tools en sociale media kort en helder uit.

Bestaande werkvormen inruilen voor werkvormen met nieuwe media, dat is ook het hoofdthema van de site Ontdekmedia. Ontdekmedia helpt je om nieuwe media in je lessen te gebruiken. Op Ontdekmedia vind je voor het Voortgezet Onderwijs de weg naar: Geschikte mediatools ; veelgebruikte werkvormen ; opdrachten uit vakgebieden en mediacompetenties om met leerlingen aan te werken.
Een voorbeeld: Je kiest het vakgebied Aardrijkskunde voor het VO. Je ziet dan een rijtje werkvormen die gemakkelijk te vervangen zijn door mediatools. Ik kies een werkvorm die dient als verwerking en presentatie van wat leerlingen hebben geleerd. Een goede invalshoek daarvoor is: laat leerlingen zelf eens uitleggen hoe iets zit, of hoe je iets moet doen. En dat kan bijvoorbeeld door Thinglink te gebruiken. Dit is een online programma waarmee je gemakkelijk ‘interactieve afbeeldingen’ kunt aanmaken. De basis is een afbeelding (foto of kaart) waarop je aanklikbare punten (tags) kiest en daar vervolgens een informatievenstertje aan koppelt. Door het aanklikken van de tag opent zich het venstertje en kan de aanvullende informatie gelezen of bekeken worden. De aanvullende informatie kan bestaan uit tekst, beeld, geluid, filmpjes. Zo kun je via beeldmateriaal uitleg geven.Je hoeft je geen zorgen te maken als je Thinglink nog niet kent. Elke mediatool is voorzien van heldere instructies en concrete tips voor het inzetten ervan in de les.
Andere werkvormen voor aardrijkskunde zijn: Tijdlijn maken met Capzles of Timerime; een Grafiek maken met Grafiektool of Afstand meten met Afstandmeten.nl. Als je een mediatool aanklikt worden de inhoudelijke leerdoelen, de leerdoelen nieuwe media en - mediawijsheid omschreven. De werkvormen zijn duidelijk omschreven: kaart maken, krant maken, brainstormen etc. Onder het tabblad In het leerplan vindt je leerdoelen en vereiste computervaardigheden uitgelegd.
Je kunt op vijf manieren binnen de site zoeken: op methode/vak (kies voor voortgezet of primair onderwijs), op werkvorm (kies voor voortgezet of primair onderwijs), op mediatool (kies voor voortgezet of primair onderwijs), op mediacompetentie en op combinaties van zoektermen.

In het leerlab Digitale didactiek zijn zogenoemde kickstarters over digitale tools ontwikkeld die docenten op weg helpen om aan de slag te gaan met het gebruik van deze tools in de les. Ook hier kom je weer tools tegen als Socrative, Padlet etc. Het Innovatielab van AVANS heeft een serie gemaakt onder de verhelderende titel Hoe kan ik …

Als je dan wat meer gewend bent aan digitale werkvormen, kun je ook zelf - zonder redactie van collega’s - gaan zoeken naar allerhande tools. Hier vind je op alfabetische volgorde alle tools die zijn opgenomen op het onderwijsblog ICT-idee. Maandag is een Vimeo-kanaal (ook YouTube) gericht op het onderwijs. Iedere maandag verschijnt op dit kanaal een nieuwe editie van Maandag. In het filmpje, in de vorm van een screencast, en optioneel een PDF, staat iedere week een sociale media-tool centraal waar in het onderwijs mee gewerkt kan worden.



Omdat wij natuurlijk met Google For Education werken kunnen ook deze Hipster Google Tools van nut zijn. Wij hebben een abonnement op het blad COS, daar vind je tools uitgelegd en ook in de digitale COS ADD On vind je vaak de rubriek How To.

Tot slot. Op dit blog kun je links het trefwoord Tools aanklikken en zo een keur aan digitale werkvormen vinden die ik voor jullie heb uitgewerkt. Mocht je vragen hebben dan kun je altijd terecht bij de mediathecaris. 

maandag 3 juli 2017

Onderzoekend leren

De didactiek van 'onderzoekend leren' is gebaseerd op de methode van natuurwetenschappelijk onderzoek. In zeven stappen doorlopen leerlingen hierbij een onderzoekscyclus. Het begint met een introductie, leerlingen maken kennis met een onderwerp of probleem. Dan volgt een verkenning van het onderwerp en vervolgens gaan de leerlingen een onderzoek opzetten aan de hand van een (eigen) vraag. Ze voeren het onderzoek uit, trekken een conclusie en presenteren de onderzoeksresultaten. Tot besluit brengt de leerkracht dan verbreding of verdieping aan door het geleerde toe te passen in andere contexten of door juist verbinding te leggen met andere concepten.

Techyourfuture is het expertisecentrum voor onderwijs in bèta en technologie. Het is een samenwerkingsverband tussen Hogeschool Saxion, de Universiteit Twente en Hogeschool Windesheim. Het ondersteunt leerkrachten met lesmateriaal en ook met handvatten voor ontdekken, onderzoeken en het opzetten van een laboratorium. (Bron: Primaonderwijs) Over die laboratoria en dan vooral de virtuele laboratoria voor het onderwijs wil ik het hier hebben.
“Onderzoekend leren met virtuele laboratoria is bewezen effectief” , zegt Ton de Jong, hoogleraar instructietechnologie aan de Universiteit Twente. (Bron: Primaonderwijs) Digitale media biedt leerlingen, volgens De Jong, de unieke mogelijkheid om online experimenten uit te voeren. Voordeel is dat deze nu, digitaal, oneindig vaak herhaald kunnen worden. En dat is heel leerzaam. Zo kun je natuurkundige principes ontdekken en experimenten uitvoeren die in de echte wereld gevaarlijk zouden zijn. Leerlingen kunnen bijvoorbeeld virtueel een elektrische schakeling bouwen of chemische reacties laten plaatsvinden. In virtuele labs kun je ook zaken in beeld brengen die je in een fysiek experiment niet ziet. Je kunt bijvoorbeeld dynamisch de krachten bij een afgeschoten kanonskogel weergeven. In het echt zie je natuurlijk alleen maar die kogel vliegen. (Bron: Kennisnet)
De Jong is hoogleraar Instructietechnologie aan de Universiteit Twente  en projectleider van het Go-Lab Project, met een gratis Europese Portal waar je labs kunt bekijken en zoeken op vakgebied, moeilijkheidsgraad of leeftijd. Een lab kan bijvoorbeeld handelen over een elektrisch circuit of over licht en kleur. Je kunt via de portal als docent zelf een Go-Lab leeromgeving maken, maar sommigen gebruiken een kant en klare leeromgeving van begin tot eind. Weer andere docenten gebruiken het lab als illustratie bij hun eigen verhaal. Alle labs werken met de stappen van het onderzoekend leren en zogenaamde simulatiesoftware. (Lees meer in: Primaonderwijs)


Simulatiesoftware bevat een nabootsing van (een deel van) de werkelijkheid. Deze werkelijkheid kan uit veel domeinen afkomstig zijn, zoals bijvoorbeeld economie, natuurkunde, scheikunde, biologie, psychologie of geneeskunde. Ze zijn gebaseerd op een model, er zijn reken- of redeneerregels die het gedrag van de simulatie bepalen. Leerlingen kunnen door middel van invoer de uitvoer bepalen. Daar kunnen zij mee spelen om een model te doorgronden. (Bron: Kennisnet zoeken: Wat we weten over computersimulaties in het onderwijs)
De universiteit Twente heeft bijvoorbeeld software ontwikkeld die het mogelijk maakt tekeningen tot leven te laten komen in de vorm van een computermodel. Het doel hiervan is kinderen in de leeftijd van 10-15 kennis te laten maken met het idee van wetenschappelijk modelleren. In wetenschappelijk onderzoek nemen modellen een centrale plaats in. Het kan gaan over het weer, het klimaat, de economie, elementaire deeltjes of ecologie. Wat het onderwerp ook is, wetenschappers maken er modellen van om dergelijke zaken beter te begrijpen. Het hebben van kennis over de aard van modellen en hun beperkingen is belangrijk. Zo worden bijvoorbeeld de voorspellingen van het KNMI en het CPB met behulp van modellen opgesteld. Deze modellen zijn gebaseerd op veronderstellingen en dragen daarom - zoals we in elk geval weten van het weer - een bepaalde mate van onzekerheid met zich mee.
In deze gedachte gaan leerlingen bijvoorbeeld met SimSketch aan de slag aan de hand van een vraag, zoals “hoe zit het zonnestelsel in elkaar?”. In een dergelijk geval helpt het vaak om een tekening te maken van de zon, de planeten en hun manen. Het kan nog beter helpen als je deze tekening vervolgens tot leven kan laten komen om zo te zien hoe de planeten ten opzichte van elkaar bewegen. Je tekening wordt op deze simpele wijze een model van het zonnestelsel. De software is ontwikkeld door de universiteit van Twente. Simsketch maakt het mogelijk een op het scherm gemaakte tekening te laten bewegen door een simulatiemodel te genereren en te koppelen aan de onderdelen van de tekening. Deze technologie kan worden ingezet bij het maken van modellen voor veel  onderwerpen en vragen uit de natuurwetenschap en techniek.


Wouter van Joolingen geeft meer treffende voorbeelden die door leerlingen in het Voortgezet Onderwijs met SimSketch zijn te gebruiken.

Het klinkt allemaal heel ingewikkeld en als heel veel werk voor de docent om zich eigen te maken. Het valt mee. De Jong geeft de volgende tips aan leraren om bijvoorbeeld gebruik te maken van Go-Lab. Deel ervaringen. "Je hoeft niet alles zelf uit te vinden. Er zijn een tutoring- en gebruikersforum op Go-Lab en een gebruikersgroep op Facebook." Maak ook gebruik van 'flipping the classroom'. "De labs zijn webbased, dus leerlingen kunnen er ook thuis mee aan de slag. Bijvoorbeeld als voorbereiding op een les: 'flipping the classroom' is mogelijk." Laat je verrassen. "Je kunt zoeken naar een lab dat precies past bij je les, maar je kunt ook kijken welke labs er over bepaalde onderwerpen beschikbaar zijn." (Bron: Kennisnet)
Let wel: systematisch werken van de leerlingen is een pré. Als je meerdere variabelen tegelijk varieert worden de uitkomsten moeilijker te interpreteren. Leerlingen moeten ook data kunnen interpreteren, zij moeten bijvoorbeeld grafieken kunnen lezen. (meer hierover: Kennisnet zoeken: Wat we weten over computersimulaties in het VO) Onderzoek naar de vaardigheden van leerlingen wordt gedaan door Techyourfuture naar het leesgedrag van vmbo-leerlingen in een omgeving als Go-Lab. Er wordt aan de leerlingen tekst en uitleg gegeven in bijbehorende lesmodules. Maar hoe goed wordt er gelezen? Wat doet dat met de leereffecten en de motivatie van leerlingen? En kunnen we dat met gamification-elementen verbeteren? Het onderzoek - dat tot 2019 loopt - zal dit proberen te verduidelijken. Het tijdschrift Didactief ging in juni 2014 ook al in op de voor- en nadelen van computermodellen. Het bevat een verslag van een onderzoek van de Universiteit Twente naar leren met computermodellen. Leerlingen hebben de software snel onder de knie, maar hebben moeite om de werking van het model volledig te doorgronden. Er is structuur nodig. Voor de modelleersoftware SCYDynamics ontwikkelden ze een ondersteuningspagina voor docenten.
Hoe je leerlingen verder kunt ondersteunen vertelt De Jong in een artikel over de voordelen van onderzoekend leren. Je moet dan denken aan kleine opdrachten en hints die de leerlingen door de simulatie leiden.Ook kan de docent extra structuur aangeven zoals bijvoorbeeld het gebruik van een spreadsheet om steeds je gegevens in op te slaan.

Al met al tonen studies aan dat onderzoekend leren vaak effectiever is dan andere vormen van onderwijs en ook dat onderzoekend leren met computersimulaties, in vakgebieden als natuurkunde, scheikunde, biologie en economie, een zeer effectieve vorm van leren is in vergelijking met directe vormen van onderwijzen, mits de ondersteuning voor de leerling goed geregeld is. (Bron: Wij-leren.nl)

Op veel plekken vind je simulatiesoftware om aan de slag te gaan met je klas. Zo is er Algodoo, een gratis programma voor Mac, Windows en I-pad. Je kunt hier verschijnselen visualiseren en modelleren (natuurkunde, scheikunde, biologie); Artefacten ontwerpen (techniek, technologie) en Leren onderzoeken en ontwerpen.
De Phet simulaties steunen op pedagogisch onderzoek. Ze spreken de leerlingen aan omdat ze op een spelletje lijken waarin ze interactief kunnen onderzoeken, ontdekken en leren. Verder is er nog Yenka, Yenka is educatieve simulatiesoftware. Simuleren, leren en ontwikkelen van concepten is met deze modules zeer eenvoudig. Voor de scheikunde is er het Engelstalige Physion en het Nederlandstalige Interactive Physics. Gizmos - eveneens Engelstalig - voor wiskunde en natuurwetenschappen biedt alleen een free trial. Kijk hier voor nog enkele voorbeelden.

Afgeleid hiervan, maar van een heel andere orde is het Litlab, een digitaal laboratorium waar je “proeven” met literatuur kunt doen. Op (literatuur)wetenschappelijke wijze wordt je door de tekst heen geleid. Zo doe je onder meer onderzoek naar romanpersonages en speeches.

maandag 15 mei 2017

Lesidee: Water

Water en Nederland, ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Water is aanwezig in onze sloten, grachten, kanalen, rivieren, in het grondwater, de regen en de zee. Eeuwenlang was er een strijd om land in de rivierendelta en wonnen wij door middel van inpoldering land op het water. We verdedigen ons als bewoners van onze delta al eeuwenlang tegen het wassende water. En, dit is belangrijk, want een groot deel van Nederland ligt beneden het zeeniveau en zou zo onder water lopen zonder dijken en duinen. Water is daarmee een prachtig en zeer divers thema voor een les. Vandaar dit blog. Kennis van de waterkringloop en rivieren is voor het vmbo zelfs onderdeel van het examen aardrijkskunde. 

De zorg om de bewoners van onze delta droog te houden ligt bij de besturen van de polders en de waterschappen. De oudste besturen werden al ongeveer zeven eeuwen geleden opgericht. Van oudsher droegen deze de zorg voor zowel de waterkering als de waterlozing. Het zee- en rivierwater moest buiten de dijken worden gehouden en het overtollige binnenwater, regen- en afvalwater, moest worden geloosd. Bij de waterschappen speelt cartografie een belangrijke rol. Om een goed beheer te kunnen voeren, is het van groot belang inzicht te hebben in de geografie van het gebied. Momenteel is hiervoor een modern Geografisch Informatiesysteem (GIS) beschikbaar, maar in de eeuwen hiervoor waren bestuurders en ambtenaren aangewezen op met de hand vervaardigde kaarten. De oudste nog bestaande overzichtskaart in deze is die van Floris Balthasars (1563-1616), die hij samen met zijn zoon Balthasar Floris van Berckenrode in 1611 voltooide. Het betrof hier een kaart van het hoogheemraadschap van Delfland.


Bron: Cultuurwijs.nl
In het begin van de 17e eeuw kreeg Jan Adriaenszoon Leeghwater de taak om de Beemster droog te leggen. De Beemster was toen een groot meer. Amsterdamse kooplieden wilden de polder droogleggen om er voedsel te kunnen verbouwen. De Beemster is een goed voorbeeld van hoe Nederlanders grote delen van Nederland zelf hebben 'gemaakt'. Voor havo 1,2 en 3 is in de Stercollectie van Wikiwijs onder het kopje Nederland waterland een themaopdracht hierover te vinden.

Ondanks alle maatregelen die we in Nederland nemen, gaat het soms mis. De NOS publiceerde onlangs een tijdlijn met beeldmateriaal getiteld 100 jaar strijd tegen het water. (te beginnen met de Zuiderzeevloed in 1916). Meer watersnoden vind je op Watervragen. Daar vind je een tijdlijn die terug gaat tot het jaar 838.
Op Overstroomik kun je middels je postcode zien in welke mate jouw huis of woonomgeving nu gevaar loopt. De gevolgen van een grote overstroming zijn ingrijpend. Nederland is weliswaar goed beschermd tegen overstromingen, maar blijft kwetsbaar. Het kan een keer misgaan, over 100 jaar of morgen. Daarom is het, volgens Overstroomik, goed te weten hoe hoog het water bij jou komt en wat je in dat geval kunt doen. Ondertussen zijn de waterschappen met allerhande belangrijke projecten bezig om het water blijvend te managen. Ruimte voor de rivier is een van die projecten.

We hebben weliswaar soms last van het water, maar we leven ook op en aan het water. En water is ook een onderdeel van belangrijke ecosystemen. Denk aan de duingebieden, Waddengebied en Waddenzee. Wil je trouwens onderzoek doen naar de ecologie? Het project wateronderzoek maakt het mogelijk om het praktisch bezig te gaan met het onderwerp ecologie.

In het verleden verdedigden we ons ook juist met hulp van het water. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is een unieke historische verdedigingslinie uit 1815. De linie is 85 kilometer en bestaat uit zo’n vijftig forten en vijf vestingsteden: Muiden, Weesp, Naarden, Gorinchem en Woudrichem.



Maar water speelt ook nog een heel andere rol. Wij hebben veel water nodig, want ons lichaam heeft voortdurend de behoefte aan zuivering. Om in leven te blijven moet bloed – dat voor iets meer dan de helft uit water bestaat – schoon zijn. De afvalstoffen moeten eruit, maar alle voor het leven noodzakelijke stoffen moeten er in blijven. (NemoKennislink)
Goed (drink)water is echter op sommige plaatsen op aarde schaars. Wij - in de westerse wereld - hebben vaak wel toegang tot schoon water. Nog niet eens zo heel lang geleden was er ook bij ons trouwens ook niet overal schoon drinkwater, waardoor ziektes als cholera om zich heen konden grijpen. Het Stadsarchief Amsterdam publiceerde in een Magazine van Cultuurwijs een special over Water. De laatste grote cholera epidemie vond in 1866-1867 plaats. In een deel van de toen erg arme Jordaan in Amsterdam stierf tijdens die epidemie 9,6 procent van de oorspronkelijk 10.401 inwoners. Op een bepaald moment ging men de link leggen met schoon water. Een groep vooruitstrevende artsen beval daarop duinwater aan. Bedenk ook dat pas veel later in elk huis gewoon schoon drinkwater getapt zou kunnen worden.
In de DataAtlas van OneWorld zie je onder meer de toegang tot schoon drinkwater wereldwijd. Inmiddels kan de gemiddelde Nederlander altijd beschikken over prima water. Hoe er drinkwater in Nederland wordt gewonnen is onderwerp van een opdracht voor havo 1,2 en3. Maar hoe goed het bij ons ook geregeld is, we zijn ondertussen wel verantwoordelijk voor waterproblemen elders op de wereld: bijna 95% van al ons waterverbruik is indirect. Dat water wordt buiten de landsgrenzen verbruikt om onze consumptie op peil te houden. De verdeling van bruikbaar water over de wereldbewoners heeft dus veel te maken met welvaart en rijkdom en is ook verwerkt in het Thema Water (vmbo) van de Stercollectie Wikiwijs.We gebruiken voor allerlei producten water uit ons eigen land en water van elders. Water is een economische factor bij uitstek. Hoeveel we verbruiken is te meten met de watervoetafdruk, die ook in genoemd Thema van de Stercollectie wordt behandeld. De watervoetafdruk is een maat voor het watergebruik van een product, gemeten over de hele productieketen. De watervoetafdruk geeft dus een beeld van de hoeveelheid verborgen water in een product. Deze verborgen hoeveelheid water noemen we ‘virtueel water’. Arjen Hoekstra, professor watermanagement aan de Universiteit van Twente, introduceerde in 2002 het begrip ‘watervoetafdruk’.
Het virtuele waterverbruik van gewassen zoals bijv. katoen, koffie en veevoeders is de hoeveelheid water (neerslag en irrigatiewater) die nodig is voor de groei van de plant en voor het verwerkingsproces (bijv. wassen, verwerken, reinigen machines, verpakken) vanaf de oogst tot het eindproduct dat we in onze winkelrekken vinden. Een katoenen T-shirt heeft bijv. 2700 liter water ‘opgeslorpt’ voor het in de winkel verschijnt. Een kop koffie heeft een virtueel waterverbruik van 176 liter. En een sinaasappel heeft ongeveer 70 liter water nodig voor hij in jouw fruitmand belandt. (Bron: Watervoetafdruk.be)
De totale watervoetafdruk van Nederland is 23 000 miljoen m3 per jaar. Daarvan is - zoals eerder gezegd - 95% van die Nederlandse watervoetafdruk afkomstig van buiten de landsgrenzen. Op het gebied van water is Nederland - na Kuweit en Malta - het minst zelfvoorzienende en meest import afhankelijke land van de wereld. Qua verbruik per hoofd van de bevolking zit Nederland in de middenmoot.
Op Waterfootprint.org kun je jouw eigen waterfootprint berekenen en de watervoetafdruk van Nederland zien. Leuke introductie voor een debat over duurzaamheid en watergebruik.


Nederland is dus sterk afhankelijk van waterbronnen elders en draagt dus ook bij aan watervervuiling en uitputting van de waterbronnen elders. De kosten van watervervuiling en uitputting worden doorgaans niet of slechts ten dele opgenomen in de prijs van producten. Hierdoor ontlopen wij dus een aanzienlijk deel van de watergerelateerde problemen die voortkomen uit hun consumptiepatroon.(Wikipedia)
Hoekstra’s concept van de watervoetafdruk is trouwens niet onomstreden, zo blijkt uit een artikel van Karel Smouter in De Correspondent. De kritiek op het concept draait vooral om het feit dat duurzaam en niet-duurzaam waterverbruik in één vat worden gegoten. Aan het aantal virtuele liters zie je niet af of dat water verbruikt is in gebieden waar dat tot problemen leidt of in gebieden waar waterschaarste niet voorkomt of dreigt. In dat laatste geval zou een hoge watervoetafdruk niet erg zijn. Niettemin worden er allerhande projecten met tips gestart om je beter bewust te zijn van je waterverbruik en er ook wat aan te doen en die bewustwording is ook goed.

Een overzicht van websites, activiteiten en lespakketten over water en waterbeheer in Nederland vind je op de site van de Waterschappen en Watereducatie. Ruimte voor de Rivier heeft een site waarin gepoogd wordt de leerling waterwijs te maken met veel links naar lesmateriaal. Edugis biedt een lesmodule Ruimte voor de rivier de IJssel. Waterwise is een digitale lesmodule voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Hier vind je alles over waterbeheer in Nederland. Door tv-fragmenten, animaties en spelletjes leer je bijvoorbeeld hoe rioolwater weer schoon wordt en waarom Nederlandse huizen niet onder water staan. De lesmodule werd onlangs in COS (nr. 5, 2014 in Mediatheek) besproken: "Het is een goed initiatief van deze negen waterschappen om te focussen op de kerntaken veilig, voldoende en schoon." Wel wordt in het artikel in COS het gemis aan kaartmateriaal aangegeven en vermeld dat EDUGIS mogelijkheden biedt om bijvoorbeeld overstromingsrisico’s in Nederland aan te geven. 
Justcare biedt ook een lespakket Water ontwikkeld voor de derde klas van het vmbo. Er zijn echter extra opdrachten aan toegevoegd voor havisten en vwo'ers, zodat het materiaal ook op deze niveau's kan worden ingezet in de tweede en derde klas. De lessen sluiten prima aan bij de kerndoelen en eindtermen van verschillende vakken en kunnen daarom als vervanging of verdieping voor bestaande lessen worden ingezet!
Er is tevens een Teleblikquiz met de titel Nederland waterland. In deze quiz leren de leerlingen over de rivieren, het IJsselmeer, de Watersnoodramp en het Deltaplan.
De Watermanager van Watereducatie is een serious game voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De game bestaat uit twee modules: "Het Rivierengebied" en "De Zeeuws-Hollandse Delta". In de game zitten leerlingen zelf aan de knoppen. Ze nemen de rol aan van watermanager, en moeten op zoek gaan naar een optimale oplossing voor watervraagstukken in deze twee gebieden. Dit kunnen ze doen door maatregelen aan te klikken en de effecten van die maatregelen te evalueren. Hoe beter ze het systeem inrichten, hoe meer punten ze krijgen.

Tot slot: dossiers vind je onder meer op OneWorld, en Floodsite.net, een begrippenlijst Water vind je hier en er is natuurlijk ook literatuur over water en waterbeheer in de Mediatheek. De auteurs van De dijken van Nederland bijvoorbeeld behandelen in een prachtige uitgave honderd Nederlandse dijken, een aanrader.

Wil je iets onderzoeken met betrekking tot water voor jouw eindwerkstuk? Kijk dan op Ikonderzoekwater.

Zie ook: Ik voel nattigheid