woensdag 15 maart 2017

Jongeren herkennen geen nepnieuws en dat is gevaarlijk


De menselijke soort is niet zozeer geneigd tot opstand als wel tot napraten. (Renate Rubenstein, 1929)

Onlangs deed Stanford University onderzoek onder 7804 middelbare scholieren en studenten. In één test zag 82 procent van de ondervraagden het verschil niet tussen een echt nieuwsbericht en een advertorial. In een andere test kon driekwart een tweet van Fox News niet van een tweet van een nep nieuwssite onderscheiden. (Bron: NOSop3) Dat zijn toch alarmerende cijfers.
Ik verbaas mijn leerlingen ook nog steeds met de Oncyclopedia, een op Wikipedia lijkende site vol met nep informatie. Het verbaast ze dat er blijkbaar mensen zijn die moeite doen om dergelijke informatie te maken. Je ziet de leerlingen ook wel schrikken, want blijkbaar moet je toch wel goed oppassen voordat je gaat knippen en plakken.
Misschien kennen mensen uit Zutphen KeepZutphenWeird (het nieuws uit een ander oogpunt)? Deze site produceert nieuws met een knipoog - in dit geval over Zutphen. Maar dit is al wat minder duidelijk onzin want er wordt op de site altijd aangehaakt bij onderwerpen die wel degelijk spelen in Zutphen. Hier is nep informatie dus al wat moeilijker te traceren dan bij de klinkklare nonsens van Oncyclopedia.

Nepnieuws is de term voor dergelijk ‘nieuws’. Na de verkiezing van Trump is het veelvuldig gespreksonderwerp. Docente Gonnie Eggink van Windesheim typeert in De Stentor van 16 februari 2017 nepnieuws als volgt: “Opzettelijk verdraaide en gemanipuleerde informatie als actualiteit de wereld in brengen.” Mediawijsheid.nl: “Nepnieuws is misleidende informatie die wordt verspreid om geld te verdienen of om de publieke opinie te beïnvloeden.”
Nepnieuws, fake berichten en hoaxes bestaan al heel lang. In de Mediatheek vind je over dit onderwerp twee wat oudere - maar nog altijd actuele - boeken. De eerste is een uitgave van de hand van Jaap van Ginneken, media- en massapsycholoog, met de titel Verborgen verleiders (2011). Het boek geeft een helder en pakkend overzicht van de verschillende sluiproutes die in de 21ste eeuw worden bewandeld om mensen te beïnvloeden met behulp van de media en geeft ook een goede basis om zeer kritisch te kijken naar alle media. De tweede uitgave is van C.J. Hamelink, Regeert de leugen? Mediaplichtigheid aan leugen en bedrog (2004). Ook hier vele sprekende voorbeelden van leugenachtig nieuws door de media.
Sinds de opkomst van sociale media gaat de verspreiding van nieuws razendsnel. Iedereen kan tegenwoordig content plaatsen op internet. Daardoor lijken de grenzen tussen nieuws, nepnieuws en ook advertenties te vervagen. Het wordt steeds moeilijker om ze van elkaar te onderscheiden en daarmee een gefundeerde mening te vormen. (Bron: Mediawijsheid.nl) Nepnieuws is van alle tijden, zegt ook broodje-aap-expert Peter Burger van de Universiteit Leiden. Maar door de technische mogelijkheden heeft het nu een enorme vlucht genomen.
Je wordt ermee overspoeld, zeker als je Facebook of andere sociale media gebruikt. Laat leerlingen eens het onderstaande filmpje bekijken. Misschien hebben ze het zelfs wel gedeeld in het verleden. Klik vervolgens op de popup ’Click here to find out’:



Het filmpje blijkt dus eigenlijk reclame voor Oak Glen Petting Zoo te zijn. Het is maar een vrij onschuldig en willekeurig voorbeeld, maar er is wel iets aan de hand, de Oxford Dictionairies riep ‘post-truth’ in 2016 tot woord van het jaar uit. Wat is nog waar van wat je te zien krijgt op je tijdlijn en in het nieuws? Dat ze een gevaarlijke uitkomst kunnen hebben, bleek toen een 28-jarige man met een geweer zich bij een pizzeria in Washington meldde. Hij was ervan overtuigd dat er kinderen werden vastgehouden door een pedofielennetwerk waarbij Clinton en haar campagneleider Podesta betrokken waren. Er is een aantal overbekende voorbeelden van nepnieuws tijdens de Amerikaanse verkiezingen, zoals het bericht dat de paus Trump zou steunen en dat Clinton wapens had verkocht aan IS.(Bron: De Volkskrant) Na die verkiezingen won de term aan actualiteit. Veel nepnieuws bleek verzonnen in een stadje in Macedonië. In Veles zouden jongeren duizenden euro's hebben verdiend via websites die nepnieuws de wereld in stuurden. (Bron: NOS)


Burger: "Met ontzettend simpele middelen valt er nu nieuws te maken dat over de hele wereld wordt gelezen. Daarnaast kun je via Facebook goed mikken op een bepaald publiek en zelf de advertentie-inkomsten binnen harken. Dat is nieuw" (Bron: Nieuwsuur)
Google en Facebook gebruiken algoritmes om te bepalen welk nieuws je ziet en welke zoekresultaten je krijgt. Algoritmes zien geen verschil tussen feit en fictie. Als er vaak op een bericht wordt geklikt, wordt het ook vaker getoond in Facebook of Google. We noemen dit click-bait, het zijn berichten met een sensationele titel waarbij je het niet kan nalaten om erop te klikken. (Bron: Mediawijsheid.nl) Click-bait draait, naast politieke motieven, meestal om het binnenhalen van zo veel mogelijk ‘bezoekers’, zodat de advertentieopbrengsten van een bepaalde pagina omhoog gaan. 

Fake informatie en nepnieuws is een item geworden om te bestuderen, maar ook om te bestrijden. Hogeschool Windesheim speelt hierop in en geeft, aldus De Stentor van 16 februari nu apart les in nepnieuws en wil de studenten laten onderzoeken wat het motief is van de zenders. En het gaat echt ergens over, want nepnieuws knabbelt aan de wortels van onze democratie. 
DROG helpt Windesheim bij haar missie. DROG is een initiatief van jonge, kritische nieuwsconsumenten en wil dat iedereen scherp genoeg is om nepnieuws te herkennen: daarom helpen we je om er een feilloos "spamfilter" voor te ontwikkelen, aldus DROG. “Als er genoeg mensen meedoen kunnen we ons platform uitbouwen en mooie plannen realiseren. We werken aan een Propaganda Game waarmee iedereen de trucs achter nepnieuws leert herkennen. We willen een modern, online discussie-platform lanceren. We willen meer mensen immuun maken voor nepnieuws, met een brede campagne”, aldus DROG. 
En het is nodig, getuige een lange lijst van sites die nepnieuws verspreiden, te vinden op de Hoaxwijzer.


Twee Nederlandse wetenschappers gaven in december vorig jaar op NOSop3 aan het onderwijs als dè oplossing te zien. "Het is heel belangrijk om kinderen en jongeren voortijdig vaardigheden aan te leren om met media om te gaan en te beoordelen wat wel en niet klopt". Beide wetenschappers wijzen daarbij op het belang van een vak als Mediawijsheid. Daar pleitte Mary Berkhout van Mediawijzer.net eerder ook al voor in de Volkskrant: volgens haar moet Mediawijsheid een verplicht vak worden op alle scholen. Aantekening hierbij is wel dat m.i. het vak Mediawijsheid veel breder moet worden opgevat dan enkel het beoordelen van informatie.

Als je ons onderwerp bespreekbaar wilt maken in de les (en dat zou ook heel goed bij Nederlands kunnen) kun je op verschillende plekken lesmateriaal over het onderwerp vinden. Twee Amerikaanse docenten maakten bijvoorbeeld een fictieve site over Ontdekkingsreizigers, Allaboutexplorers. De site ziet er bedrieglijk goed uit, maar leidt uiteindelijk tot volledig onware informatie. De makers willen hiermee een waarschuwing doen uitgaan om je bronnen kritisch te benaderen. Ze hebben trouwens ook (Engelstalig) lesmateriaal toegevoegd om de leerlingen weerbaarder te maken op het internet.
Ook op Wikiwijs vind je lesmateriaal gebaseerd op het Wikiwijs-arrangement van Anne Klerk-Rebel. TEDEd levert lesmateriaal over het begrip cirkelrapportage in berichtgeving, waarin aan (onjuist) nieuws steeds meer waarde wordt toegekend doordat het gedeeld wordt als bron in steeds weer nieuwe artikelen of berichten. Maak voor onder meer vragen bij het filmpje gebruik van het menu rechts van de video.

Hoe herken je nepnieuws:

(Nederlandse versie op TED Ed)

Gebruik techniek en fact-checkers
Er zijn Chrome-extensies die via Artificial Intelligence (AI) media scannen en verifiëren. Op Twitter en Facebook wordt dan de bron van het nieuws gecheckt tijdens updates op je tijdlijn. Dit wordt gedaan door te checken op woorden in de tekst, fotomateriaal en door te kijken naar de reputatie van de website en dit alles te zoeken in databases. Maar er is ook een extensie die zich specifiek richt op nieuwssites. Zo komen de extensies tot een oordeel.
Facebook probeert ook zelf al een aantal jaren om bijvoorbeeld click-baits tegen te gaan. Het bedrijf neemt ook in Nederland maatregelen om de verspreiding van nepnieuws tegen te gaan. Dit in samenwerking met nieuwssite Nu.nl en de NieuwsCheckers van de Universiteit Leiden. Facebook ging eerder al soortgelijke samenwerkingsverbanden aan in de Verenigde Staten, Frankrijk en Duitsland. Net als in die landen krijgen Nederlandse gebruikers de mogelijkheid om berichten die ze niet vertrouwen te melden. Als twee feitencheckers vervolgens onafhankelijk van elkaar tot de conclusie komen dat een bericht nep is, voorziet Facebook het van de waarschuwing 'in twijfel getrokken', met uitleg erbij. Berichten die zo'n negatieve beoordeling krijgen komen lager in de berichtenstroom te staan. Ook kan er niet meer mee worden geadverteerd. (Bron: Het Parool)

Check de bron
Kijk goed waar het bericht vandaan komt. Ken je het medium en wat is de reputatie? Er zijn sites die zich al jarenlang bezighouden met nepnieuws, waardoor je direct kunt zien of iets te vertrouwen is. Check daarvoor de eerder genoemde Hoax-lijst. Er zijn ook websites die zich bezighouden met het checken van nieuws zoals bijvoorbeeld Snopes. Als je de gevonden site of het nieuwsmedium niet kent, is het een goed idee om te kijken wat dit medium nog meer schrijft. Nepberichten maken vaak gebruik van fictieve bronnen, dus kijk verder dan alleen een bronvermelding. Worden tekst en foto op dezelfde manier gebruikt als in de originele bron? Of is het bericht uit context gehaald? Vermelden de genoemde bronnen zelf het nieuwsfeit?
Is er geen link naar de bron? Google dan. Bij voorkeur in een anoniem venster, om het dwingende algoritme van je eigen (zoek)geschiedenis te omzeilen.

Check de auteur
Vaak staat de naam van de schrijver bij de artikelen, ook bij nepnieuws. Het is altijd slim om goed te kijken naar de auteur van een stuk. Soms is deze niet vermeld, wat al reden is om op je hoede te zijn. Als er wel een maker bij het bericht staat, kijk dan wat deze verder op zijn naam heeft staan. Zoek de auteur op via bijvoorbeeld Google: wat staat er op zijn cv? Soms wordt er gestrooid met indrukwekkende opleidingen, functies en prijzen, maar blijken andere auteurs precies dezelfde cv te hebben. Klopt dat wel? Bestaat deze persoon echt? Kijk bij websites altijd in de disclaimer of bij ‘over ons’ Waarom heeft diegene het artikel geschreven? Voor wie is het geschreven? Welke (politieke, financiële of andere) belangen heeft de afzender? Of is het zelfs bedoeld als satire?

Check de datum
Sommige artikelen zijn echt, maar zijn al lang geleden gebeurd. Op social media worden die gebeurtenissen dan gepost alsof het iets te maken heeft met een recente gebeurtenis. Zo ging vlak nadat Trump de verkiezingen had gewonnen, het verhaal over social media dat Ford de productie van vrachtauto's van Mexico naar Ohio zou verplaatsen, omdat Trump president was geworden. Het ‘nieuws’ was echter al een jaar oud en heeft in die context ineens een andere strekking.

Gebruikte bronnen
Kijk in een nieuwsbericht of er naar een oorspronkelijke bron wordt gelinkt. Zo ja: goed teken. Check vervolgens de kwaliteit/autoriteit van die bron. De Volkskrant is doorgaans beter geïnformeerd over de strijd tegen IS dan de twitterfeed van @crazy_Dam1987. Aan nieuws ligt vaak een rapport, een vonnis, data of een persbericht ten grondslag. In de meeste gevallen kun je die ‘basisinformatie’ zelf opvragen bij bijvoorbeeld het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), een onderzoeksinstituut, een bedrijf of op andere plekken waar data openbaar worden gemaakt. (Zie ook: Over grafieken ...)
Kijk dus goed op welke bronnen de site het nieuws baseert. Soms wordt er verwezen naar officiële bronnen of mainstream media, terwijl die er niets over hebben geschreven. Zo was er in 2016 een bericht dat asielzoekers gratis met de trein zouden mogen reizen. De NOS zou later met extra informatie komen. Maar de NOS meldde nooit iets, en de NS wist van niets.


Lees verder
Een verband is nog geen oorzaak! Vooral in wetenschapsnieuws komt dit vaak voor. Als bijvoorbeeld uit onderzoek blijkt dat vegetariërs langer leven, betekent dat niet automatisch dat ze langer leven omdat ze geen vlees eten. Misschien gaan ze gewoon vaker naar de sportschool! Televisieprogramma Kassa meldde laatst dat 'de helft van de artsen bereid is om meisjes van zestien een lipvergroting te geven'. Klinkt heftig, want dat is illegaal! Later bleek dat Kassa een kleine steekproef had gedaan onder slechts zes dokters. Daarvan wilden er drie de wet aan hun laars lappen. Dat geeft zeker een eerste indruk. Maar dat drie 'ja' zeiden, betekent nog niet per se dat de helft van alle Nederlandse artsen het zou doen.
Dus check niet alleen de bronnen, maar kijk wat het hele verhaal is.

Check vooroordeel
Heeft jouw eigen overtuiging invloed op je oordeel? Bedenk ook welk belang de afzender van een bericht heeft bij het nieuws. Is de kop bijvoorbeeld informerend of meer een statement? Val ook niet ten prooi aan de verzuiling 2.0. De 'filterbubbel' zou ervoor zorgen het internet een gespreid bedje wordt voor meningen die we toch al hadden. Er is echter wel een kanttekening te plaatsen bij die aanname, want er zou eigenlijk helemaal geen wetenschappelijk bewijs voor zijn.

Check ook foto’s
Dat kan via Google of Tineye Reverse Image Search. Google laat precies zien wanneer en op welke sites de afbeelding eerder te zien is geweest.


Tot slot: Stop in elk geval met klakkeloos delen waar je het mee eens bent en raadpleeg als je bezig bent met een betoog of werkstuk bij twijfel experts (mediathecaris, docent). (Gebruikte bronnen voor herkennen nepnieuws: Mediawijsheid.nl, Motherboard, MetronieuwsBrandpunt, Sevendays.nl, NOS)

Hoe makkelijk het is om zelf nepnieuws te maken kun je jouw leerlingen tonen aan de hand van de tool Newsjack. Je kunt hier elke nieuwssite manipuleren en als link naar je klas verzenden. De ontvanger ziet dan jouw gemaipuleerde artikel van Nu.nl bijvoorbeeld. Na een aantal seconden verschijnt dan in een pop up ‘You have been Newsjacked’. Een mooie inleiding op je les, waarmee je dan onmiddellijk de aandacht van je leerlingen hebt.

Luister ook: Onder Mediadoctoren 

donderdag 9 februari 2017

Spieken 2.0

Over examenfraude en de rol van het internet daarbij is al veel gepubliceerd. Eerder werden in artikelen vaak landen als Irak en Algerije als extreme voorbeelden genoemd. In deze landen werden namelijk tijdens examenperiodes alle sociale media of zelfs het hele internet tijdelijk geblokkeerd om de kans op examenfraude te verkleinen.
Maar goed, wij zijn - wat spieken betreft - inmiddels in een gevaarlijke 2.0 versie terecht gekomen: niet meer voorzichtig over je schouder gluren naar de antwoorden die de buurman invult, maar tijdens een digitale toets stiekem whatsappen via de internetbrowser. Of … huiswerkopdrachten delen via Facebook zonder dat je docent het weet en zo kun je nog vele voorbeelden noemen zoals (in ons geval) via Google-Drive snel een document delen met een aantal leerlingen … Ook al ben je als docent niet zo ict-vaardig en droom je misschien ook wel van het afsluiten van het hele internet tijdens jouw toets of examen, je moet je toch enigszins gaan verdiepen in deze materie. Als je niet weet wat er intussen mogelijk is, kun je ook niet ingrijpen en dat is echt nodig.
Studenten zijn namelijk massaal gaan frauderen met behulp van mobieltjes, smartwatches en sociale media. Dat blijkt uit onderzoek van RTL Nieuws van vorig jaar. Zij zagen ook dat onderwijsinstellingen die nieuwe fraudemethoden maar moeilijk kunnen bijhouden. Het zijn digitale technieken waar studenten tegenwoordig mee frauderen. En dat gebeurt steeds vaker: in vier jaar tijd, tussen 2011 en 2015, steeg het aantal fraudegevallen met 76 procent. Dat blijkt uit documenten die RTL Nieuws van de examencommissies van vier universiteiten ontving.
Onderwijsinstellingen tasten vaak in het duister over wat hun studenten allemaal uitspoken, waardoor veel fraudegevallen nooit aan het licht komen, concludeert Arie de Wild, onderzoeker en docent aan de Hogeschool Rotterdam. Samen met een groep studenten onderzocht hij verborgen fraudemethoden die studenten aan de hogeschool gebruikten. De resultaten presenteerden zijn studenten vervolgens aan het bestuur. De bestuursleden keken elkaar vol verbazing aan: "doen studenten dit?" Vanwege de gevoeligheid van het onderwerp, werd een bijzondere vraagmethodiek toegepast. Studenten voerden informele gesprekken met medestudenten over opvallende zaken binnen het onderwijs. Tentamenfraude werd hierbij verrassend veel genoemd. (Bron: Hogeschool Rotterdam)
De Wild denkt dat de fraudegevallen die RTL heeft ontdekt feitelijk “het topje van de ijsberg” zijn. Sommige grote opleidingen maken nooit melding van fraude. ”Dat kan niet waar zijn’', aldus De Wild. Alleen kijken naar bekende manieren van fraude kan wat De Wild betreft dan ook niet. Wat hem aangaat moeten examencommissies ook naar de “ijsberg onder water” kijken. Een student vertelt dat hij op alle drie de opleidingen die hij volgde fraude meemaakte. ”De surveillant had niks in de gaten'', zegt hij over een digitaal examen waarbij klasgenoten met elkaar overlegden via Whatsapp. (Bron: De Gelderlander)
The Independent kopte in juli 2016: “Exam cheating: A third of students admit to doing so this year alone, as survey reveals the most unusual methods used”. In het artikel staan wat voorbeelden genoemd, digitaal en - zeg maar - ouderwets. Ik moet zeggen dat ik bij sommige ‘methoden’ toch wel wat moet lachen: papier inslikken en weer ophoesten? Morse? Een vriend of vriendin die voor de deur met (hand)signalen probeert te helpen?
Morse - moet toch opvallen dat tikken, denk ik dan - wordt toch wel vaker genoemd en uit een top 7 van spiekmethoden blijkt, dat je ook het flesje met water of andere drank als surveillant niet helemaal meer kunt vertrouwen.



Maar ja, hoe vreemd sommige methoden ook lijken (de zoekterm ‘cheating on exam’ levert een keur aan vreemde voorbeelden op), het is natuurlijk een probleem. Wat te doen? Heel goed opletten dus of telefoons (en dus ook smartphones), smartwatches en (camera)brillen helemaal verbieden tijdens examens?



Of misschien voorafgaand aan een examen iedereen door detectiepoorten leiden om bluetoothapparatuur te detecteren? Wel een kostenpost natuurlijk. Bedenk echter wel dat er ook gewoon reclame wordt gemaakt voor allerhande devices om te frauderen voor je examen. Dat er iets moet gebeuren is dus wel duidelijk.



Alle bovengenoemde maatregelen, vaste zitplaatsen en controle van de identiteit van de kandidaat heeft wellicht voor sommigen de schijn van een minidictatuur, maar het internet wordt in elk geval niet gestoord. In het verleden werd soms een ‘jammer’ ingezet om mobiel telefoonverkeer te verstoren waardoor bellen of gebeld worden niet mogelijk was. De apparaten zenden een breedbandig stoorsignaal uit op de frequentiebanden 880 - 960 MHz, 1710 - 1880 MHz, 1900 - 2070 MHz en 2110 - 2170 MHz wat spraak- en dataverkeer in de omgeving van de jammer onmogelijk was. In 1999 werd het in bezit hebben en gebruiken van jammers verboden dankzij richtlijn 1999/5/EG. Deze richtlijn verbiedt het gebruik van onder andere jammers en andere stoorzenders. Dit verbod wordt actief gehandhaafd.
Tijdens eindexamenperiodes wordt bij middelbare scholen streng gecontroleerd op het gebruik van gsm-jammers. De scholen riskeren een boete als zij met illegale middelen spieken proberen te bestrijden. Zo'n blokker is namelijk even illegaal als het spieken zelf, zegt het Agentschap Telecom. “Gsm-jammers zijn streng verboden omdat die het telecomverkeer in en buiten de school onmogelijk maken. Noodnummer 112 en andere hulpdiensten kunnen bij calamiteiten niet worden gebeld."
Scholen krijgen inderdaad het advies leerlingen smartphones en smartwatches te laten inleveren bij het begin van een examen. Directeur Spijkerman van Agentschap Telecom: “Met een gsm-detector kan vervolgens eenvoudig worden vastgesteld of er toch nog mobiel verkeer in het lokaal aanwezig is."
Schooldirecteuren doen er verder verstandig aan het wifi-netwerk van de school uit te zetten en leerlingen voor de start van de examens een groepsbericht met de regels te sturen. Niet alleen middelbare scholen, ook universiteiten doen hun best om digitaal spieken te voorkomen. Zo zetten de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit Maastricht ook gsm-detectors in als studenten naar de wc-gaan. Zodra een smartphone wordt aangezet krijgt een surveillant een signaal.

Nu denk je misschien dat dit wel een beetje een overkill is, maar dat is het niet. En het is een groot en moeilijk te tackelen probleem …






Al in 2014 stelde de Telegraaf: Dacht je in het aankomende studiejaar toetsantwoorden te kunnen checken op je smartwatch? Dan heb je pech als je studeert aan Hogeschool Rotterdam. De 30.000 studenten moeten hun horloges namelijk af doen tijdens tentamens. Het is gewoon voor surveillanten niet te doen om te checken of iemand een ouderwets klokje of een wearable met alle digitale mogelijkheden om de pols heeft, omdat ze steeds meer op elkaar gaan lijken. Anno 2017 is dat eigenlijk alleen maar erger geworden.




Ook de NRC publiceerde vorig jaar rond de examentijd een artikel met de kop: Spieken met je smartphone. Dit artikel eindigt met de verzuchting van Michiel van Diesen, docent bij de opleiding Digital Business Concepts aan Fontys Hogescholen. Door technologische vernieuwing is fraude in de toekomst nauwelijks nog te voorkomen, vreest Van Diesen “Smartwatches zijn al lastig te herkennen, straks krijgen we nog een groter probleem met slimme brillen.” Het is een van redenen dat hij is begonnen met een gedurfde proef. Studenten geeft hij minder tijd voor hun tentamen, maar ze mogen naar hartelust Google gebruiken. Feitenkennis wordt volgens Van Diesen minder belangrijk, omdat internet altijd bij de hand is. “In hoeverre is het nog noodzakelijk om een heel boek uit je hoofd te leren? We willen dat onze studenten in hun loopbaan vooral zaken als inzicht en creativiteit laten zien.”
Ik persoonlijk hoop niet dat het dit de oplossing is voor het geconstateerde probleem, want parate feitenkennis is m.i. wel degelijk belangrijk. Zie bijvoorbeeld ook “Leren is niet ‘dat zoeken we op’” van Ger Groot in Trouw. Ik betwijfel dus sterk of we hier de oplossing hebben.

Tot besluit: soms kan techniek echter ook weer uitkomst geven:


woensdag 23 november 2016

Jongeren en lezen, een Mission Impossible?


“Lees jij echt twintig boeken? Ik vind het zo cool als iemand een boek leest. Waarom? Omdat bijna niemand het meer doet gewoon” (conversatie in de Mediatheek, 8ste klassers (tweede klas regulier onderwijs)

Jongeren lezen steeds minder, en steeds vaker met tegenzin. Dit blijkt onder meer uit onderzoek van de Stichting Marketing Boekenvak. Slechts 21% van de dertien- tot negentienjarigen leest ten minste een dag per week in een boek, krant of tijdschrift. De leestijd is nu echter nog maar 12 minuten per dag gemiddeld voor de groep dertien- tot negentienjarigen (in 2014 was dat nog 26 minuten). (Bron: Leesmonitor) Een andere bron, Media:Tijd Rapport (NOM, SCP etc.), noteerde in 2015 trouwens voor deze groep al slechts 11 minuten per dag!
We moeten ons dus realiseren dat een grote groep jongeren vrijwel nooit meer leest. (zie ook: Literatour 2016) Ook andere onderzoeken bevestigen dit. “Bij alle soorten gedrukte media zegt minstens de helft van de respondenten dat ze die nooit gebruiken. Vooral kranten en huis-aan-huis bladen worden maar mondjesmaat gelezen. Stripboeken en fictie (romans), en in iets mindere mate tijdschriften en non-fictie boeken, worden door ongeveer 1 op de 3 jongeren maandelijks, wekelijks of dagelijks gebruikt.” (Bron: Monitor Jeugd en media 2015) Hoe het in vergelijking met andere landen is gesteld met het leesgedrag van de hele Nederlandse bevolking heeft het SCP onderzocht. Het SCP stelt dat - ondanks de dalende trends in het leesgedrag in Nederland - ons land nog wel hoger scoort dan de meeste andere Europese landen.
Over het algemeen genomen gaan leerlingen vanaf een jaar of tien lezen steeds minder leuk vinden. Aan het begin van de basisschool worden kinderen blij van boeken en hebben zij een positieve leesattitude, op vijftienjarige leeftijd is die teruggevallen tot neutraal. Gelukkig kan de school invloed uitoefenen: 62 % van de verschillen in leesprestaties van vijftienjarigen laat zich verklaren door verschillen tussen middelbare scholen, aldus Literatour 2016.

In de MOOC Pubers en Young Adults van Cubis - die ik onlangs volgde - duiken we in het brein van jongeren van 12 tot 18 jaar. Hier wordt uitgelegd wat jongeren bezighoudt, toegespitst - in ons geval - op leesgedrag. (Voorbeeld van dag 2 van de MOOC)
Wim Meeus is hoogleraar Adolescentie bij de afdeling Jeugd & Gezin aan de Universiteit Utrecht. Hij ziet de adolescentie als levensfase die duurt van het twaalfde tot het vierentwintigste levensjaar. Meeus signaleerde een drietal ontwikkelingsfenomenen die zich voordoen tijdens de adolescentie. De sociale cognitie neemt toe, het zelfbeeld en de identiteit van de adolescent ontwikkelen zich en de relatie met ouders en leeftijdsgenoten verandert aanzienlijk.
Je leert, aldus Meeus, eerst steeds beter nadenken over jezelf. Kinderen gaan zich bijvoorbeeld beseffen dat niet alle kinderen hetzelfde leuk vinden, ze gaan langzaam ontdekken dat er meerdere perspectieven op hetzelfde onderwerp mogelijk zijn, ‘perspectief differentiatie’ (vijf tot negen jaar). De tweede ontwikkeling ‘perspectief nemen’ ontstaat tussen het zevende en twaalfde levensjaar. Tijdens deze fase weet een kind dat er verschillende visies mogelijk zijn en ontstaat de vraag hoe anderen over iets denken. Ze zijn meer en meer in staat om in het hoofd van de ander te kruipen. Hierop volgt, rond het dertiende of veertiende jaar, de ontwikkeling van de ‘perspectief coördinatie’. Dit is het vermogen om meerdere perspectieven tegelijk te kunnen zien, oftewel in meerdere hoofden tegelijkertijd te kruipen en deze perspectieven met elkaar te kunnen combineren. Deze vaardigheid heb je nodig om een roman of een artikel te kunnen lezen. Je moet namelijk kunnen begrijpen wat verschillende partijen van iets vinden, om tot een beter begrip te kunnen komen.
‘Perspectief coördinatie’ is dus een voorwaarde voor lezen. Een tweede belangrijke voorwaarde is reflexiviteit, het gebied van ‘zelfbeeld en identiteit’.Die neemt ook met de jaren toe. Jongeren denken meer na over zichzelf en over zichzelf in de context van de eigen omgeving. Ze nemen een eigen identiteit aan. Volgens Meeus is ook dit een gunstige conditie voor het leesgedrag. Ongunstig voor het leesgedrag is het feit dat adolescenten steeds meer tijd buitenshuis doorbrengen en daarmee zijn ze vaker buiten het gezichtsveld van de ouders.

Samenvattend: de ontwikkelingen in de adolescentie hebben dus invloed op het leesgedrag van jongeren. De toenemende sociale cognitie en de identiteitsvorming wijzen op een groeiende leescapaciteit. De veranderende verhoudingen met ouders (minder) en leeftijdsgenoten (meer) daarentegen kunnen een oorzaak zijn voor een afname van lezen. Deze ontwikkelingspatronen zijn echter een universeel gegeven, deze waren dertig jaar geleden eigenlijk niet anders dan nu. Daarin moet de verklaring voor een afname in leesgedrag onder jongeren dus niet gezocht worden. Meeus concludeert dat deze dan moet liggen in het feit dat de adolescentie als levensfase erg veranderd is ten opzichte van enkele decennia geleden.
Allereerst is deze langer geworden. De schoolperiode duurt langer, jeugdcultuur begint een aantal jaren eerder en de periode van relatievorming duurde in 1990 al zeven jaar langer dan in 1950. Gezinsverdunning en het feit dat Nederlanders steeds rijker zijn geworden spelen ook een rol in de verandering van de adolescentenperiode als levensfase. Jongeren hebben tegenwoordig steeds meer te besteden. De jeugdcultuur is een jeugdmarkt geworden. Mede door die jeugdmarkt van tegenwoordig hebben jongeren minder vrije tijd dan jaren geleden. Tellegen spreekt in de congresbundel Lezen en leesgedrag van adolescenten en jongvolwassenen van toenemende verplichtingen. Deze verplichtingen omvatten niet alleen verplichtingen van school en huiswerk maar ook de verplichtingen van het sociale leven. Hiermee wordt gedoeld op de omgang met leeftijdsgenoten en de noodzaak zelf geld te verdienen om aan de eisen van het sociale leven te voldoen. Wat pubers bezig houdt is trouwens meesterlijk door Paul Bühre, zelf een (Duitse) tiener, vastgelegd in Puber Leaks.



Lezen moet volgens Meeus, in een artikel in diezelfde congresbundel, concurreren met veel andere interessante activiteiten. Hij onderscheidt zes vrijetijdsactiviteiten: lezen, elektronische media, sociale contacten thuis, uitgaan, sport en mobiliteit. Lezen is door de jaren heen naar de laatste plaats gedaald. Tellegen noemt als oorzaak de toenemende bewegingsvrijheid. In haar onderzoek concludeert zij ook dat sinds de komst van games de neiging tot geboeid lezen, tot lezen voor een goed humeur en tot spontaan leesgedrag systematisch afneemt. Dit geldt met name bij jongens.
Dion, Jet, Qin en Joep in een interview voor De Correspondent: ‘Lezen lukt tijdens een schoolweek maar moeilijk’, zegt Dion. Als hij na schooltijd wil ontspannen, spreekt hij liever af met vrienden of kijkt hij een serie. Jet en Qin zijn het met hem eens. Qin: ‘Vroeger had je alleen boeken om je mee te vermaken, nu is de verhouding heel anders. Er zijn prikkels bijgekomen.’ Joep kan dat beamen. Als hij een boek leest dan zet hij zijn telefoon op stil en legt hij die ver bij zich vandaan. Dat het niet eenvoudig is je op een boek te concentreren terwijl je constant nieuwe appberichten binnenkrijgt, daar zijn de drie het wel over eens. ‘Om de twee seconden een berichtje, dat werkt niet’, weet Joep.
Er is ook nog een andere reden voor de afname in leesgedrag. En dat is de abrupte overgang van jeugdliteratuur naar volwassenenliteratuur. Er bestaat nog steeds een grens tussen beide soorten literatuur. Deze wordt in stand gehouden door scholen, boekhandels, bibliotheken en andere instituties zoals uitgeverijen en media. In het debat zijn de meningen over het huidige literatuuronderwijs verdeeld. In het huidige literatuuronderwijs staan veel leraren niet open voor adolescentenliteratuur. Een gotspe volgens anderen. Linda Ackermans betoogt in het Handboek Literatuuronderwijs dat jongeren lang niet altijd Young Adult literatuur mogen lezen en dat docenten ook lang niet altijd op de hoogte zijn van de ontwikkelingen in dit genre.
Bedenk dat: 

  • Lezen wordt door jongeren niet gezien als een activiteit die hen helpt leeftijdsspecifieke behoeften te vervullen. Behoeften die in de adolescentenperiode belangrijk zijn, is het horen bij een groep en onafhankelijk worden; 
  • Het verplichte lezen in het literatuuronderwijs wordt door jongeren als schadelijk voor het leesplezier ervaren. Veel jongeren hebben moeite met de overstap van jeugdboeken naar complexere literatuur die ze voor school moeten lezen; 
  • Te weinig aansprekende boeken voor adolescenten. De adolescentenroman zou hiervoor een oplossing kunnen zijn. (Bron: Youth Culture
Wat lezen jongeren dan wel?
In Becoming a Reader, the Experience of Fiction from Childhood to Adulthood zet J.A. Appleyard zijn interpretatie van het proces van een kindlezer tot een ervaren volwassenlezer uiteen. Hij onderscheid daarbij vijf verschillende rollen. Jonger dan zeven jaar ziet hij de lezer als ‘speler’ en van het zevende tot het twaalfde levensjaar als ’held’. Voor ons is vooral de lezer als ’denker’ interessant want deze periode valt in de middelbare schoolleeftijd. Vanaf achttien jaar neemt de lezer de rol van ‘kritisch lezer’ op zich. De volwassen lezer tenslotte noemt Appleyard de ‘pragmatische lezer’, deze lezer kan op verschillende manieren lezen, aansluitend op voorgaande rollen.
Van dertien tot zeventien jaar ontwikkelt de lezer zich dus volgens Appleyard als denker, daarna als kritisch lezer. (Denk ook aan onze 7 jaren cycli: ‘de Denker’ van 14 tot 21 jaar). De lezer begint de betekenis van het leven, waarden en normen, doelen, ideologieën en authentieke rolmodellen te zoeken in verhalen. Volgens Appleyard stelt de lezer als denker drie eisen aan het lezen:

  • Ze moeten zich kunnen identificeren met de karakters; 
  • het realismegehalte moet hoog zijn; 
  • en de tekst moet hen aan het denken zetten. 
Adolescenten voelen zich dus het meest verbonden met karakters in adolescentenromans die aansluiten bij hun pas ontdekte gevoel van complexiteit. Ook realisme is een eigenschap waar adolescentenliteratuur op beoordelen, of iets ‘echt gebeurd zou kunnen zijn’. Een gehanteerde term is Life writing en dat is een vorm van literatuur waarin de ontwikkelingen, herinneringen en ervaringen van iemand worden beschreven. Dit kan verschillende vormen aannemen; autobiografieën, biografieën, memoires, dagboeken, brieven, getuigenissen, persoonlijke essays en recenter blogs en e-mails.
Er bestaan verschillende namen om een roman voor jongvolwassenen te duiden. Lange tijd stonden deze romans in Nederland bekend als crossover literatuur. Bildungsroman of een coming-of-age verhaal zijn wat bredere termen hiervoor, die voornamelijk doelen op het proces van volwassenwording van de hoofdpersoon. Wat recenter is het begrip Young Adult, dat is overgewaaid uit Amerika. Aiden Chambers is één van de grondleggers van de moderne adolescentenliteratuur. Vanaf de jaren tachtig verschenen er verschillende adolescentenromans van zijn hand. Thema’s in zijn werk zijn volwassenwording en identiteitsvorming.



De (auto)biografie was lange tijd een weinig populair genre onder jongeren. Opvallend is dat dit het laatste jaar aan het veranderen is. Dit is, volgens de MOOC over pubers, vooral het gevolg van het verschijnen van de autobiografische werken van vloggers als Dan Howell en Phil Lester, Tyler Oakley, Connor Franta, Marcus Butler en natuurlijk onze eigen Enzo Knol. Je kunt daar wat minnetjes overdenken, maar zelfs de groten der aarde erkennen hun invloed.



Een tijdloos populair genre binnen de Young Adult literatuur is het dagboek. De laatste jaren zijn er verschillende dagboeken gepubliceerd. Denk aan; Dit is geen dagboek (Erna Sassen), Het leven van een loser (Jeff Kinney), Het geheime dagboek van Adrian Mole 13 ¾ jaar (Sue Townsend) etc. Zie voor meer (fictionele) dagboeken de lijst op Goodreads en Pinterest.
Opvallend is ook dat enkele donkere thema’s in grote mate aanwezig zijn in de adolescentenliteratuur. Onderwerpen als ziekte, dood, mentale zwakzinnigheid, heftige ongelukken, moord en andere gewelddadige misdrijven blijken erg populair onder adolescenten. Voor de eeuwwisseling voerde toch vooral realisme de grootste aantrekkingskracht uit op jongeren. Ze verwachten ook van literatuur dat deze hun wensen en fantasieën belichaamt, en ook de donkere kanten van het leven en de begrenzingen aan hun idealisme moeten worden gerepresenteerd.
Sinds het ongekende succes van Harry Potter is trouwens ook het fantasy-genre niet meer weg te denken uit de adolescentenliteratuur. Paranormaal en sciencefiction volgden. Of deze hype blijvend is, of weer een langzame dood sterft is nog niet duidelijk. Het betreft hier ook voornamelijk buitenlandse literatuur. Nederlandse schrijvers richten zich met name op probleemboeken, historische fictie, liefdesverhalen, thrillers en waargebeurde verhalen.
Maar, vertaald of niet, Jongeren lezen hun favoriete boeken ook steeds vaker in het Engels. Boekverkopers constateren het, uitgevers merken het, iedereen weet het. Dat geldt zeker voor de fans van John Green, het boegbeeld van de Young Adult-literatuur.
Het probleem binnen het onderwijs is, naast het voorbehoud dat docenten hebben ten opzichte van de adolescentenroman, dat docenten geen tijd hebben om bij te houden welke nieuwe jeugdboeken en daardoor vaak de Young Adult boeken niet kennen.(Bron: Youth Culture)

Hoe krijgen of houden we jongeren aan het lezen?
Boven gaf ik al aan dat volgens Literatour 2016 62 % van de verschillen in leesprestaties van vijftienjarigen laat zich verklaren door verschillen tussen middelbare scholen. Johannes Visser, leraar Nederlands aan het Zaanlands Museum, schrijft in De Correspondent over zijn persoonlijke visie op lezen en hoe jongeren te interesseren. Op het Zaanlands is er De Boekenclub. Deze club waarin nu ruim honderd bovenbouwleerlingen, havo en vwo, zitten ontvangt en interviewt schrijvers en houdt eens per jaar een literair kampeerweekend. “De leerlingen die aan alle drie de boekenclubs hebben meegedaan, kamperen dan drie dagen met elkaar in de Noord-Hollandse duinen. In die dagen lezen ze verhalen, krijgen ze schrijfles en wordt er, uiteraard, literair gebarbecued en literair gebadmintond.” Ik laat het aan jullie fantasie over hoe dat er dan mag uitzien.
Visser vervolgt: “De Boekenclub is mijn manier om leerlingen te interesseren voor literatuur. Ik wil hen laten zien dat er buiten het boek een hele wereld is die het lezen van literatuur interessant kan maken. Dat de schrijver een mens van vlees en bloed is die met knikkende knieën de eerste recensies afwacht. Dat hetzelfde verhaal door een schrijver op papier anders verteld wordt dan door een regisseur op het toneel. Dat er een wetenschap is die zich bezighoudt met de analyse van romans. Dat je met vrienden kan praten over boeken en dat je zo je eigen denken kunt scherpen. Bottomline: dat literatuur niet stoffig hoeft te zijn.”
Jet, een leerling van de Boekenclub: “Het is niet alsof je een nerd bent als je leest, maar het is ook een beetje raar als je in de pauze een boek uit je tas pakt en in een hoekje gaat zitten lezen.” Ze is niet de enige uit haar klas die bij De Boekenclub zit. “Al mijn vriendinnen zitten erbij.”
“Hoewel docenten hard hun best doen leerlingen tijdens het schooljaar aan het lezen te krijgen, leent het onderwijs zich slecht voor het lezen van een boek. Altijd is er huiswerk dat voor morgen gemaakt moet worden, altijd is er een toets op komst. Je kunt van leerlingen niet verwachten dat ze in een week een roman uitlezen, want ze hebben vaak nog elf andere vakken. Iedere week twintig bladzijden lezen is ook geen bevredigende oplossing, want zo komt een leerling nooit echt lekker in een boek.” Visser creëert dus ruimte om te lezen in het curriculum.
“Toch lezen de leerlingen niet alleen maar ter vermaak en ontspanning, al is het maar omdat het vwo-curriculum voorschrijft dat leerlingen twaalf boeken lezen, waarvan ten minste drie die voor 1880 geschreven zijn. Op mijn school moeten leerlingen zestien boeken lezen, waarvan twee uit de periode 1875-1914, twee uit het interbellum, vier naoorlogse romans tot 1970 en zes recentere werken. Ik snap wel dat leerlingen worstelen met historische letterkunde. Het is voor een leerling van 15/16 jaar niet gemakkelijk om die ‘oude boeken’ op waarde te schatten. Het taalgebruik is niet alleen ingewikkelder, er is ook kennis van literaire begrippen en (literair-)historische context voor nodig. Die kennis ontbreekt vaak, al is dat leerlingen niet kwalijk te nemen. Het curriculum zit overvol en tijd om op één periode dieper in te gaan, is er vaak niet. Laat staan dat er ruimte is om stil te staan bij de literaire, algemeen-historische en literair-historische context, en dan ook nog het boek te lezen. Een deel van de leerlingen in de hoogste klassen heeft niet eens geschiedenis in zijn vakkenpakket, waarom zou literatuurgeschiedenis voor hen dan wel een verplicht onderdeel moeten zijn”, aldus Visser.
Hij vervolgt: “Ik ben in dubio. Ik vind dat een leerling, zeker op het vwo, best eens iets van Mulisch, Hermans of Reve mag lezen (Het behouden huis en De donkere kamer van Damokles zitten overigens in het verplichte lesprogramma op mijn school), maar wat vaak wordt vergeten is dat wat voor oudere generaties de belangrijkste moderne letterkunde is geweest, voor leerlingen inmiddels historische letterkunde is. Uiteindelijk gaat het mij er namelijk om dat leerlingen hun eigen literaire smaak ontwikkelen.”
Maar hoe beoordeel je dan of een boek voldoet aan de niveau eisen. Miriam Peters, docente Nederlands op het Marnix Gymnasium suggereert in Literatour 2016 om uit te gaan van de zes niveaus van literaire competentie van lezenvoordelijst.nl. Het zou nu mooi zijn als deze classificatie van uitgever tot lezer zou worden doorgevoerd. Iets wat nu nog niet het geval is.
Ook bij haar staat voorop dat je leerlingen toch vooral aan het lezen wil krijgen. Zij zou dat dan willen doen volgens een individuele, doorlopende leerlijn, gebaseerd op de niveaus van lezenvoordelijst. Dat zou ook goed zijn om een andere reden, want tieners hebben ook moeite met de naam die zij als lezende doelgroep kregen toegewezen. Het begrip Young Adult wordt door veel jongeren als een kinderachtige term ervaren. Naarmate ze ouder worden vinden ze de term minder van toepassing op zichzelf. (Bron: MOOC)
De jonge lezer heeft hulp nodig om een boek te kiezen dat past bij zijn interesses en niveau en hij moet begeleidt worden in het reflecteren op wat hij gelezen heeft, aldus Linda Ackermans in het 
Handboek Literatuuronderwijs. Wij, het onderwijs, moeten leerlingen niet dwingen, maar verleiden.

"Leesvaardigheid is fundamenteel voor succes op school en arbeidsmarkt. Internationale studies laten zien dat Nederlandse leerlingen meestal bovengemiddeld presteren op leesvaardigheid, maar qua leesmotivatie beduidend onder het internationale gemiddelde scoren. Deze motivatieproblemen werden recent onderstreept door de Onderwijsinspectie, die bovendien constateerde dat scholen doorgaans te weinig effectieve aandacht schenken aan leesplezier.", aldus het onderzoeksverslag Bevordering van leesmotivatie.
Je zou daarbij ook nog veel meer gebruik kunnen maken van sociale media. Een idee zou kunnen zijn om het fenomeen Booktube te gebruiken. Voor ideeën vind je hier bijvoorbeeld enkele Booktubers en ook hier, maar op YouTube kun je er zelf nog veel meer vinden. Zo ook een How to Booktube. Eerder schreef ik trouwens al uitgebreid over het gebruik van sociale media bij het bevorderen van lezen.
En ..., als de MOOC’s van Cubis weer van start gaan, volg dan eens de MOOC over Pubers.

Zie ook: LeesmonitorallesoverjongerenVeel scholieren lezen voor hun plezierStichting LezenLeesverschillen tussen jongens en meisjes, Leesbevordering in de klas en CNN

vrijdag 14 oktober 2016

Professionaliseren. Een digitaal overzicht

Een man die te oud is om te leren, is waarschijnlijk altijd te oud geweest om te leren. Henry S. Haskins (1875)

Je wilt bijscholen, maar ook weer niet steeds het hele land afreizen. En je wilt het eigenlijk ook nog eens op een moment doen waarop het jou het best uitkomt. Als je niet te huiverig bent om online workshops of MOOC’s (Massive Open Online Courses) te volgen dan kun je voorlopig even vooruit. Speciaal voor docenten ontwikkelde Kennisnet drie online workshops over Computational thinking, Mediawijsheid en Informatievaardigheden. Eerder al berichtte ik over de MOOC’s van Cubiss. Hiervoor kun je bij voldoende participatie zelfs een certificaat (nog niet gecertificeerd door registerleraar) halen. Het is echter allemaal nogal vrijblijvend. Belangrijk is m.i. dan ook dat het registerleraar zich meer gaat buigen over deze vormen van bijscholing en daar goedkeuring aan geeft. Hoewel je daar natuurlijk als docent ook weer heel anders over kunt denken, eigenwijs als de beroepsgroep is. Een leraar gaf in een enquête over het registerleraar aan dat hij/zij heel goed voor zichzelf kan zorgen. “Ben nu erg gemotiveerd bezig met internetcursus MOOC; Het puberbrein. Is straks alleen 'zinvol' als je er registerpunten voor krijgt. Ik ben een uniek persoon en ik weet zelf het beste wat goed voor mijn ontwikkeling is, niet de beroepsgroep.” Als je het registerleraar als betutteling ziet, blijft dit natuurlijk altijd een spanningspunt, Ben jij bijvoorbeeld iemand die wel intrinsiek gemotiveerd is en wil je je continu verbeteren of kom je alleen in actie om het registerleraar te vullen ...

Terug nu naar de MOOC’s van Cubis. Die staan niet altijd open, alleen een beperkte tijd. Wil je informatie ontvangen over nieuwe MOOC’s en wil je op de hoogte blijven van de data, meld je dan aan voor de mailinglist via klantenservice@cubiss.nl of hou de site MOOC MEE! in de gaten. MOOC MEE! wil docenten/leerkrachten, mediacoaches, leesconsulenten en ouders up-to-date houden over gevarieerde onderwerpen. Om de cursussen zo toegankelijk mogelijk te maken, biedt MOOC MEE! ruimte om het eigen leerproces in te richten. Je kiest dus zelf - binnen een periode waarin de MOOC open staat - wanneer en hoe je de stof tot je neemt. Als je eenmaal een account hebt kun je trouwens ook later altijd nog de aangeboden stof inzien, maar niet meer reageren.

Op vele plekken is men nu bezig om met deze vorm van onderwijs te experimenteren. Het - afgeronde - Europese project EMMA had als doel om innovatieve onderwijsmethoden en aanpakken te bundelen en gratis, open, online cursussen (MOOC's) aan te bieden in meerdere talen. Het project eindigt nu, maar het resultaat is een platform met een groot aantal gratis beschikbare MOOC's aangeboden door Europese universiteiten. De Open Universiteit is de Nederlandse partner in het project. De OU heeft eerst twee van haar al bestaande MOOCs opnieuw uitgeleverd via het EMMA platform. Dit waren E-Learning en Blended Learning ontwikkelen (beide zijn thans niet meer beschikbaar op het platform). Daarnaast zijn er twee nieuwe MOOC's ontwikkeld: Toetsen voor leren in de praktijk en Puberbrein: brein, leefstijl en leren.
Het registerleraar heeft de MOOC Toetsen voor leren in de praktijk inmiddels goedgekeurd als erkende professionaliseringsactiviteit voor leraren. Docenten kunnen de MOOC dus volgen om te voldoen aan de bijscholingsverplichting die vanaf 2017 geldt voor ingeschreven leraren. De erkenningsprocedure voor de tweede EMMA-MOOC, Puberbrein, loopt nog. De twee MOOC's blijven, net als een groot aantal MOOC's van andere Europese universiteiten, open en beschikbaar op het EMMA platform, ook nu het project zelf eindigt.
In de toekomst zal het Welten-instituut, het onderzoekscentrum van de OU, met andere platforms experimenteren en de mogelijkheid onderzoeken om de MOOC's in de huidige of in een vernieuwde vorm via EMMA of eventueel via een ander platform aan te bieden. Je kunt door je te abonneren op de Nieuwsbrief op de hoogte blijven.
De OU biedt ook Online masterclasses. Door deze te volgen verdiep je de kennis van een specifiek onderwerp. Online masterclasses worden om de paar weken georganiseerd en zijn gewoon achter een computer met internet te volgen. Voor iedere masterclass moet je trouwens wel apart inschrijven. De inschrijfvoorwaarden worden bij elke masterclass bekend gemaakt, ze zijn niet allemaal vrij en gratis toegankelijk.
Op onregelmatige tijden worden er ook online lezingen verzorgd in OpenU over een interessant onderwerp. De lezingen zijn, net als de masterclasses, via internet te volgen. Lezingen en masterclasses die zijn afgesloten vind je in het archief.
Beheers je het Engels goed, dan kun je ook op Coursera (een platform voor MOOC’s) zoeken op Education en daar de nodige onderwerpen vinden. De cursussen zijn gratis, je moet je alleen even inschrijven.

Ook online zijn de door verschillende instanties aangeboden webinars. Een webinar is een samenvoeging van de woorden 'Web' en 'Seminar'. Het is een evenement op internet waarbij er alleen een online publiek aanwezig is. Kennisnet heeft oude (2014) webinars verzamelt op YouTube. OU noemt het Open Lezingen, de afgesloten lezingen zijn te vinden in het archief.
Eduseries biedt (gecertificeerde) online nascholing door middel van blended learning, binnen zogenoemde EduSeries. EduSeries zijn een combinatie van onder meer EduTalks, live webinars, fysieke bijeenkomsten en schriftelijk materiaal binnen een EduMagazine. Voor alle EduSeries wordt certificering aangevraagd bij registerleraar. Aan Eduseries zijn kosten verbonden, maar sommige webinars zijn nog (gratis) terug te zien.
Ook Technologie en Onderwijs biedt webinars aan, die je via webinar gemist kunt terugkijken. Net als Onderwijsadvies.

Tot slot. Misschien interessant: vooraf aan de Socrateslezing 2016 is een webinar gehouden, waarvan je nu de opnames kunt opvragen. In dit webinar wordt de ‘roep om bildung anno 2015’ onderzocht. Joep Dohmen ( humanistisch filosoof en auteur van vele boeken over levenskunst en bildung.) schept op levendige wijze een kader voor pedagogisch vakmanschap in de 21ste eeuw. Hij belicht de stand van zaken vanuit historisch perspectief. Daarnaast zal hij ingaan op de drieslag kennis en vaardigheden – socialisatie – en persoonsvorming en deze drieslag van kritisch commentaar voorzien. Tot slot onderzoekt hij de vraag of bildung/levenskunst een apart vak zou moeten zijn of juist als geest door de school zou moeten waaien. Zou ons moeten aanspreken.

Het goede nieuws is - als deze trend verder doorzet - dat je niet meer in een luchtdicht verpakt bedrijvengebouw wordt opgesloten voor een cursus. Dit leidde bij mij steevast tot een steeds zwaarder wordende hoofdpijn en dat na een vaak slecht verzorgde maaltijd. Funest. Leren kan nu heerlijk vanaf mijn eigen bank!

woensdag 21 september 2016

Kill your Darlings

Voor jongeren is het internet een vanzelfsprekendheid. Een negatief-kritische houding van de docent verandert daaraan (helaas) niets. Het kan zijn dat je zelf weinig affiniteit met sociale media hebt, maar toch problemen, gerelateerd aan het gebruik van digitale gadgets, in jouw klas bespreekbaar wil maken. Een goede inleidende video brengt vaak het gesprek op gang. Onderstaand volgen een aantal suggesties om door middel van inleidende video’s of beelden zaken op een positief-kritische manier in de klas aan de orde te stellen. Je wijst daarbij niet het internet of de sociale media af, maar stelt bepaald gedrag aan de orde. Laat jongeren nadenken over hun internetgebruik. Waarom doen zij bepaalde zaken wel of niet en wat zijn de gevolgen van hun gedrag voor hun eigen welbevinden en dat van anderen.
Soms kan dat met een kunstvorm. Kill your Darlings is een kunstwerk dat enkele jaren geleden werd tentoongesteld tijdens de Dutch Design Week en de communicatie weergeeft zoals die op - in dit geval Twitter - door tienermeisjes in die tijd werd gevoerd. De kunstenaar raakte gefascineerd toen hij veel van deze ‘lieve schattige’ jonge tienermeisjes de meest afschuwelijke tweets zag versturen. De manier waarop ze met elkaar praten lijkt op de setting van een schoolplein. Het grote verschil met het schoolplein is dat het hier gaat om openbare Twitteraccounts en dat iedereen mee kan lezen. Kill Your Darlings:



Eenvoudig van opzet, maar even schokkend, is het Litouwse Museum van het pesten, waar ook aanknopingspunten zijn om dit vanuit de digitale wereld te benaderen. (Zie ook Masterclass cyberpesten)

In onderstaande voorlichtingsvideo over online seksueel misbruik kun je het begrip sexting inleiden. Sexting is het versturen van erotische berichtjes via een mobiele telefoon. Vaak zijn het naaktfoto's. De leerlingen krijgen in deze video tips waarmee je de risico's zo klein mogelijk kunt houden.


Veel kinderen kampen met concentratieproblemen, die wel of niet direct te koppelen zijn aan sociale media. In een filmpje van College Humor kom je een concentratieoefening tegen: kun je je focussen op een op het eerste gezicht nogal saai filmpje? Kun je je aandacht vasthouden zonder direct door te scrollen of anderszins afgeleid te worden? Kun je je telefoon (als je het thuis bekijkt) drie minuten met rust laten?



Om smartphoneverslaving aan de orde te stellen zou je de volgende video kunnen gebruiken van Jij bent een superheld. De video levert voldoende aanknopingspunten om een klassegesprek te starten. Een van de punten die in de video genoemd worden is dat sociale media - door hun werking - heel verslavend kunnen zijn. Dat heeft te maken met het feit dat je voortdurend getriggerd wordt door de piepjes en meldingen op je telefoon. Door daar onmiddellijk op in te gaan wordt je beloningssysteem in je hersens geprikkeld. Dat fijne gevoel werkt verslavend. Voor je het doorhebt, zit je als puber de hele tijd je telefoon te checken op berichtjes. Bij pubers is dit nog meer het geval dan bij volwassenen omdat het ‘beloningscentrum’ in hun brein nog veel gevoeliger is dan dat van volwassenen. Feitelijk ben je dan continue aan het multitasken. En multitasken werkt niet. Probeer het volgende maar eens uit in je klas:



Theo Compernolle (Ontketen je brein te vinden in Mediatheek) ontdekte dat jongeren doorgaans slechter multitasken dan volwassenen. Volwassenen zijn meestal beter in staat om zich in een afleidende omgeving niet te laten afleiden. Ze kunnen zich beter en dieper concentreren. Compernolle haalt daarvoor meerdere onderzoeken aan waaruit blijkt dat kinderen die multitasken intellectueel minder presteren dan kinderen die zich op één taak tegelijk concentreren. Op zich vormen de sociale media geen probleem, maar sommige kinderen zijn zóveel met sociale media bezig zijn dat ze allerlei heel wezenlijke dingen niet meer of minder doen. Denk volgens Compernolle aan: ‘verbale interactie, echte sociale contacten onderhouden, leren door doen en door objecten te manipuleren, fysieke activiteiten, je diep concentreren, iets de volle aandacht geven, intensief lezen, studeren en diep nadenken.'
“Stop met multitasken want het put je hersens uit”, kopte onlangs het 360Magazine.De oplossing? Stop en deel je tijd in voor elke afzonderlijke activiteit. Zoveel minuten voor je mail, zoveel voor werk, zoveel voor social media. Achter elkaar, niet door elkaar. Ben je met een langdurige taak bezig, dan is het raadzaam aaneengesloten 25 minuten tot 2 uur aan een project te werken. Werk je namelijk minder dan 25 minuten en sla je aan het multitasken, dan ben je amper opgewarmd voordat je weer afhaakt, Dit stelt althans Daniel Levitin in Een opgeruimde geest.

Heb je (digitale) hulp nodig om probleemgedrag te veranderen? Voeg dan de Chrome extensie StayFocusd toe aan je taakbalk. “StayFocusd is a productivity extension for Google Chrome that helps you stay focused on work by restricting the amount of time you can spend on time-wasting websites. Once your allotted time has been used up, the sites you have blocked will be inaccessible for the rest of the day.“ De extensie heeft ook een 'nuclear option' waarmee je de toegang tot alle sites in Chrome kan blokkeren.
Je kunt ook Forest toevoegen aan je telefoon of Chrome.Het is en app die je helpt focussen tijdens het doen van een taak. Je plant een plantje en het kan uitgroeien tot een boom als je je telefoon minimaal een halfuur laat liggen of bepaalde websites met rust laat.
Ook de telefoonaanbieders zitten niet stil Vodafone heeft een app ontwikkelt waarbij je smartphone vergrendeld is, totdat je eerst een vraag (over behandelde stof) hebt opgelost.
Tot slot: De kennis van nu, het wetenschapsprogramma van de NTR, behandelt in een uitzending van 25 minuten de problemen van het afgeleide brein.

Om gameverslaving bespreekbaar te maken zou je kunnen starten met een testje van de Jellinek. De test is gemaakt voor gamers die regelmatig gamen. Het helpt je om te zien of je zoveel gamet dat het riskant wordt voor je gezondheid of prestaties op school of werk. Afhankelijk van je score worden verschillende adviezen gegeven.

Een klassieker om over veilig internetten te spreken is de Gedachtenrader.



Speel dan de Veilig Online Quiz.Daaraan zou je een video kunnen koppelen over hoe simpel het is om een wachtwoord te kraken. Een andere video stimuleert het gebruik van wachtzinnen in plaats van wachtwoorden.
Ook www Handboek voor tieners is uitstekend geschikt om in de klas mee te werken. Elke leerling kan het hier downloaden. En ook de consumentenbond heeft heel veel tips op een rij gezet om je smartphone veiliger te maken.

Beeldgeletterdheid is belangrijk. Wat wordt ermee bedoeld? Het vermogen om de gedachtegang en bedoeling van de makers van beelden te doorgronden. Voor het bijbrengen van beeldgeletterdheid aan de bovenbouw van het po en het vo is deze korte film op YouTube interessant. Pauzeer de film na twee en halve minuut en vraag de klas hoe het verhaal gaat aflopen. Waarop baseren ze hun vermoeden? Vervolgens speel je de film verder af en evalueer je.
Het is dus moeilijk om (nieuws)beelden te interpreteren. Dat geldt ook voor nieuwsfeiten. Het belang van objectieve nieuwsgaring is evident. Het aantal mensen dat dagelijks een krant openslaat daalt echter, terwijl de nieuwsconsumptie via sociale media blijft stijgen. Meer dan de helft van de mensen onder de 35 gebruikt wekelijks Facebook voor nieuws. Wat dat voor problemen oplevert onderzocht Nieuwsuur onlangs.

Mocht je zelf in de klas anoniem een quizje willen afnemen dan is Mentimeter bijzonder geschikt. Met Mentimeter kun je meningen peilen met multiple choice vragen en open vragen, maar ook met schaalvragen, schatten en je kunt 100 punten laten verdelen over een aantal opties. Je hoeft je niet eens te registreren om één vraag te stellen waarop de klas via een site en een nummer kan antwoorden. Vanaf elke pc of smartphone kan slechts één keer antwoord worden gegeven, een tweede keer wordt geweigerd. Je ziet op het digibord of de monitor de grafiek veranderen, totdat iedereen de vraag beantwoord heeft. Een mooie manier om gevoelige onderwerpen in te leiden. Als je je als docent gratis registreert kun je meerdere vragen (series) vastleggen bij Mentimeter.

Verder lezen: De rol van ouders en docenten. Opvoeden in een tijd van multimediaprikkels, Mentorlessen van Bureau Jeugd en Media, Lesmateriaal mediawijsheid, Veilig internetten, Filmpjes mediawijsheid

maandag 11 juli 2016

Leermythes

Bill Gates: “Just giving people devices has a really horrible track record.”

Er zijn in de laatste jaren een groot aantal indianenverhalen over onderwijs wetenschappelijk onder de loep genomen en weerlegd of in elk geval genuanceerd. Dat kunnen neuromythes of ‘neurohypes’ zijn (we zijn goed in multitasken), maar het gaat mij hier vooral om de mythes over technologie in het onderwijs (het internet maakt ons dommer bijvoorbeeld). Het lijkt soms of we in het onderwijs steeds meer moeite hebben om de jongeren te bereiken en nieuwe technologie (ict) als de verlossende schakel wordt binnengehaald. Dit blijkt echter een gevaarlijke basis om onderwijs te vernieuwen.

Neurowetenschapper Harold Bekkering doet onder meer onderzoek naar hoe je leren kunt optimaliseren. Samen met Jurjen van der Helden schreef hij De lerende mens met daarin wetenschappelijke inzichten over het lerende brein. Belonen en straffen moeten eigenlijk beide worden afgeschaft, stellen zij. Onze intuïtie dat het goed is om een kind te prijzen, klopt niet. Het is een mythe en maakt de intrinsieke motivatie kapot, concluderen Van der Helden en Bekkering in het onderzoek. Veel leertheorieën zijn gebaseerd op belonen, maar die kunnen volgens Bekkering beter genegeerd worden. Geef complimenten op inzet en gedrag en niet over resultaat, want dan houdt het leren op. Dat geldt - en nu komen we bij ons onderwerp - volgens de auteurs ook voor software die werkt met belonen als bijvoorbeeld badges en spelletjes. Bekkering ziet het misgaan met zijn eigen zoon die nu online blind leert typen. ‘Na elke nieuwe prestatie geeft het programma hem een spelletje. Hij doet zijn oefeningen nu niet meer om te leren typen, maar om die spelletjes te mogen spelen. Als spieken daarbij helpt dan zal hij dit niet laten. Zijn motivatie voor snel en goed typen dreigt te verdwijnen.’
De auteurs zien eigenlijk vooral het belang van ict in het onderwijs om duidelijker inzicht te verschaffen in het leerproces van de individuele leerling. Door de grootte van de klassen is dat individuele niveau van de leerling veel moeilijker te monitoren. Als een leerling altijd toetsen maakt waarbij 90% van de vragen goed wordt beantwoord, dan heeft deze leerling een uitdaging nodig. Het is belangrijk dat de docent in zijn functie als gids iets met die procesgegevens doet. De rol van de leraar in het onderwijs is dus eigenlijk niet minder belangrijk maar juist nog belangrijker geworden. De leraar heeft altijd de leiding en motiveert de leerlingen. En dat is nu juist wat de auteurs als basis van het leerproces zien: het aanboren van automatische leergierigheid en intrinsieke motivatie. De sleutel tot beter onderwijs ligt volgens de auteurs in het optimaal aansluiten bij de individuele verschillen en het creëren van een sociale omgeving waarin ieder kind tot zijn recht komt. (Bron: COS, februari 2016, pp. 22/23)
Zij pleiten er ook voor - in tegenstelling tot de ideeën die het het Platform Onderwijs 2032 heeft gepresenteerd - de feitenkennis niet weg te gooien. Het Platform stelt namelijk dat 'topografische, historische en natuurwetenschappelijke feitenkennis kan worden geschrapt'. Je kunt het gewoon opzoeken als je het nodig hebt, is de redenatie. Maar het blijkt dat kennis over een onderwerp de beste voorspeller is voor tekstbegrip, meer dan algemene intelligentie of leesvaardigheid’, zegt Van der Helden. ‘Feitenkennis blijft dus belangrijk voor een rijk model van de wereld. Zonder feitenkennis blijf je zoeken en kun je bijvoorbeeld niet goed begrijpend lezen.’ (Bron: De Volkskrant)

In mijn vorige blog legde ik al de nadruk op het belang van het (pedagogisch) onderbouwen van het ict-beleid in het onderwijs en juist op te passen voor hypes. Je zou - zo stelde ik - om goed ict-beleid op te zetten gebruik kunnen maken van het tweejaarlijkse Trendrapport van Kennisnet. Tegelijkertijd wil ik ook benadrukken dat de nadruk op het woord hypes voor scholen en docenten geen vrijbrief mag zijn om dan ict maar links te laten liggen. Niet alle ict-toepassingen zijn hypes. En ook docenten moeten m.i. toch basiskennis van de mogelijkheden en onmogelijkheden van het gebruik van ict in het onderwijs hebben. Zij moeten juist bewuste keuzes maken en niet alleen handelen vanuit antipathie of sympathie.

Over mythes en verkeerd inzetten van technologie in het onderwijs gaat ook Jongens zijn slimmer dan meisjes en andere mythes over leren en onderwijs uit 2013. Mythes die hier door Pedro De Bruyckere en Casper D. Hulshof onder meer ontmaskerd worden: jongens zijn beter in wiskunde dan meisjes, jongeren van nu zijn digital natives, we kunnen allemaal multitasken en we gebruiken maar 10% van onze hersenen. Mooi is ook het verhaal van de piramide van Maslow. De auteurs achterhalen dat Maslow zelf niet het model van een piramide gebruikte en niet vijf, maar uiteindelijk zeven elementen benoemd heeft. Ze gebruiken een citaat van Maslow uit 1962 die net als zij verbaasd is over hoe zijn theorie gebruikt wordt: ‘My motivation was published 20 years ago, and in all that time nobody repeated it, or tested it, or really analyzed or criticized it. They just used it, swallowed it whole with only the most minor modifications.’
In 2015 kwam van dit boek een nieuwe Engelse versie uit met medewerking van Paul A. Kirschner onder de titel Urban Myths about Learning and Education.

Laten we eens naar die mythes over technologie kijken die ook behandeld worden in een artikel op de site van de American Federation of Teachers:

1 Het internet maakt ons dommer

Het was Nicolas Carr die in 2010 redeneerde hoe het internet niet alleen ‘nuttig gereedschap’ oplevert, maar ook voor een deel onze identiteit en de structuur van onze hersenen aan het veranderen is. Internetgedrag zet zich ook voort in je offline leven, de hersenen passen zich aan en laten het dan afweten als je bijvoorbeeld ineens een moeilijk boek probeert te lezen. Diep, geconcentreerd denken kunnen wij niet meer, stelt Carr. Grote onzin, zeiden onder meer Christopher Chabris and Daniel Simons al in de tijd zelf. Je hersenen kunnen helemaal niet fysiek veranderd worden door je online gedrag en: ‘The basic plan of the brain's "wiring" is determined by genetic programs and biochemical interactions that do most of their work long before a child discovers Facebook and Twitter.’
Ook Manfred Spitzer heeft veel kritiek gekregen op zijn rammelende bewijslast inzake fysieke veranderingen in het brein. Op de Vrije Scholen wordt Spitzer echter veel aangehaald, Veel realistischer is in elk geval al de opvatting van Martine Delfos - die overigens wel veel ideeën van Spitzer onderschrijft - dat begrenzing en begeleiding een betere benadering is. We moeten echt voorzichtig zijn met de tijd die we kinderen op een dag online laten doorbrengen. The American Academy of Pediatrics (AAP) waarschuwt op basis van wetenschappelijk bewijs dat excessief mediagebruik kan leiden tot aandachtsproblemen, problemen op school, slaap- en eetproblemen en obesitas.

2. De digital natives van vandaag zijn een nieuwe generatie met bepaalde kenmerken die vragen om een ander soort onderwijs

Leerlingen en studenten gebruiken weliswaar een grote variëteit aan devices en technologie voor communicatie en contact met vrienden en de wereld om hen heen, maar dat is nog geen digitale geletterdheid. Digitale geletterdheid behoort onderdeel te zijn van het curriculum. Misschien komt het als een schok, maar de digital native bestaat niet. Natuurlijk is de huidige generatie jongeren opgegroeid met het internet en allerhande devices, maar: ‘Just 36 percent of Europe’s 9- to 16-year-olds said that they knew more about the Internet than their parents’ (EU Kids Online (2011). Kirschner en de Bruyckere stellen verder dat studenten slechts beperkte basiskennis hebben van Microsoft Office, e-mailen, appen, Facebook en browsen op het web.Dat is trouwens ook de reden dat wij op school de Microsoft Imagine Academy aanbieden, waar de leerling zich zelfstandig verder kan bekwamen in de Office-pogramma’s, eventueel uitmondend in een Office certificering.
Dit wetende is het ook noodzakelijk bij het gebruik van digitale tools in een opdracht na te gaan of iedereen met de betreffende tool kan werken. Zo niet, zorg dan dat er een handleiding is of besteed er in de les tijd aan. Digital natives of niet, gebruik van software is niet aangeboren.

3.Nieuwe technologie veroorzaakt een revolutie in het onderwijs

De Bruyckere, Kirschner en Hulshof citeren verschillende onderzoeken waarin duidelijk wordt dat pedagogie en didactiek onderwijs veranderen en niet de middelen. Dat wil niet zeggen dat we technologie nu maar links moeten laten liggen. Goed gebruik van technologie en goed onderwijs kunnen elkaar versterken. Dit wordt wel Blended Learning genoemd.
Je zou in ons onderwijs prima eens een blog kunnen gebruiken in plaats van het periodeschrift (zijn op onze school al goede ervaringen mee) of een digitale poster kunnen laten maken bij aardrijkskunde of je zou uitlegfilmpjes die door eigen docenten zijn gemaakt bij de opdracht kunnen voegen. Doe het echter nooit half en zorg dat je zelf ook met de tool kunt werken, schakel anders de mediathecaris in en verwerk altijd een zoekvraag goed in de gehele opdracht. Alleen naar feiten laten zoeken leidt tot het kopiëren van Wikipedia. Maak de internetopdracht tot een echte zoekopdracht waarbij gegevens uit verschillende bronnen gecombineerd moeten worden.
Dat nieuwe technolgie het onderwijs verandert is echter een mythe. ‘The crucial factor for learning improvement is to make sure that you do not replace the teacher as the instrument of instruction, allowing computers to do what teachers would normally do, but instead use computers to supplement and amplify what the teacher does.’

4. Het Internet hoort thuis in de klas want het maakt deel uit van de persoonlijke leefwereld van kinderen

Uit onderzoek blijkt dat studenten daar op het eerste gezicht niet zelf om vragen. Voor hen is het gebruik van devices vooral sociaal. Op media als Facebook en Whatsapp gaat het vaak niet over school. Wel zeggen leerlingen baat te hebben bij bepaald gebruik van multimedia in de lessen: ‘When asked what they would specifically like to see online, 53.6 percent answered that they would like more online course notes, with 46.4 percent advocating more recordings of lessons on the web.’ Al weer wat ouder onderzoek uit 2010 laat verder zien dat studenten gewone boeken prefereren boven e-books. Maar goed, onlangs blogde ik hier dat ook de kosten van boeken voor studenten een overweging kunnen zijn om juist weer meer gebruik te maken van (open) e-books. Wel interessant en iets om eens goed over na te denken is de behoefte die leerlingen blijken te hebben aan het opnemen van uitleg in korte video’s. Dat gebeurt op onze school nog sporadisch, maar bedenk, de techniek is gratis en daardoor geen beletsel. (Zie:Ik screencast …)

5. Jongeren lezen niet meer

Hiermee wordt dan niet bedoeld het online lezen van teksten en berichten, maar boeken lezen voor het plezier. Deze stelling wordt - volgens De Bruyckere, Kirschner en Hulshof - echter niet onderbouwd door wetenschappelijk onderzoek. Jongeren lezen nog wel en ook voor hun plezier. Er kan wel een aantekening bij worden geplaatst want per land verschillen de trends wel behoorlijk.
Of dit wel of niet een mythe is zal zeker te maken hebben met de aard van het onderzoek, want in 2015 stellen - gebaseerd op dezelfde grote onderzoeken - Thijs Nielen, Suzanne Mol, Marga Sikkema-de Jong en Adriana Bus in 4W wel dat kinderen en adolescenten steeds minder lezen. Dit zou dan volgens hen kunnen komen doordat ze een angst voor lezen ontwikkelen door onder meer negatieve leeservaringen. Dat zien zij eerder als een oorzaak dan het toenemend gebruik van sociale media, gamen en televisie kijken.  

Ik wil hier eigenlijk eindigen met een lang citaat van Wilfred Rubens waar ik het volledig mee eens ben. Rubens wijdde eveneens een blog aan leermythes.
‘De meest effectieve didactische interventies blijken niets met leerstijlen te maken te hebben, maar bijvoorbeeld met het bekrachtigen van lerenden, het cognitieve vermogen waarmee de lerende ‘binnenkomt’, de kwaliteit van de instructie (dus niet de stijl!), de omgeving van de klas of met peer tutoring.
Waarom houden we dan toch zo vast aan de mythe van leerstijlen? 

  • Onderwijsprofessionals zijn niet bekend met onderzoeken die de mythe van de leerstijlen ontkrachten. 
  • Onderwijsprofessionals hebben vaak romantische opvattingen over onderwijs. Soms komt een idee zo logisch over of sluit het aan bij de waarden van onderwijsgevenden dat het verwordt tot een geloofsartikel. Men staan dan niet meer open voor rationele verklaringen. En dat is met leerstijlen ook het geval. 
  • Het bestaan van leerstijlen klinkt aannemelijk voor onderwijsprofessionals. En mensen zijn gevoelig voor wat aannemelijk klinkt. Wij zullen eerst – ook op basis van feedback van anderen – moeten ervaren dat leerstijlen er niet toe doen.’ 
Zie ook: het blog van Onderwijsfilosofie